The mammoth story: Thailand, Cambodia, Vietnam, China

March 27, 2012 § 1 Comment

Zet een kop koffie/thee, pak een schaal koekjes/chips/gezondigheid en ga er eens lekker voor zitten – er komt weer een extreem lang verhaal aan. Ja, langer dan de anderen. Twee keer zo lang, if not more. Sorry. Kan ook bijna niet anders, bijna 2 maanden en 4 verschillende landen later…

Enfin. Op 3 februari schreef ik dat ik de volgende ochtend richting Bangkok zou gaan. Zo gezegd, zo gedaan. ‘s Ochtends richting station getogen, kaartje gekocht en wachten maar. De trein zou in principe rond 12:30 vertrekken. Ik was er om 11 uur. Tegen 3 uur ‘s middags kwam de trein dan rustig aankakken en kon de pret beginnen. In de trein belandde ik naast een aardige Thaise vrouw die geweldig Engels sprak – ze bleek zo’n vijftien jaar lang op ambassades gewerkt te hebben en had dus voor haar werk de hele wereld over gereisd. Twee uur lang erg interessante gesprekken gehad over Thailand, Nederland, het diplomatenleven en hoe het nou is om alleen te reizen (geweldig, maar af en toe ook zwaar en soms eenzaam). Intussen was het begonnen met regenen – een fenomeen wat ik tot noch toe niet in Bangkok had meegemaakt, en wat eigenlijk ook helemaal niet hoorde te gebeuren. Welcome to climate change.

Eenmaal in Bangkok aangekomen ben ik naar mijn oude, vertrouwde hostel Niras gegaan, waar, net als in Chiang Mai, de mensen me inmiddels bij naam kennen. Toen volgden een aantal dagen vol met streetfood (oude, vertrouwde en nieuwe plekken), fietsen en me gewoon weer ergens compleet thuis voelen. En de kapper. Oh god, de kapper. Zoals je misschien wel weet heb ik eigenlijk een ontzettende hekel aan de kapper, en dat is nou niet echt heel handig als je kort haar hebt – dat moet toch iets vaker geknipt worden dan lang haar om het er fatsoenlijk uit te laten zien. Nou was mijn haar redelijk kort toen ik op reis ging, maar na een maand of wat kwam het tot halverwege m’n nek. Voor nu, veel te lang, en vooral veel te warm. Uiteindelijk heb ik dan via internet (ja, altijd een geweldige keuze) een kapper gevonden waar ze Engels zouden spreken en het niet afgrijselijk duur zou zijn. Ik dus op de fiets ernaartoe. Eenmaal daar aangekomen werd het duidelijk dat ze inderdaad wel Engels spraken, maar niet erg veel. Ik dus zo kort en zo simpel mogelijk uitleggen wat ik wilde (wat vrij lastig is als je een asymmetrisch kapsel wilt…), en meneer begint fervent te knippen. Na hem een aantal keer tot halt geroepen te hebben (opeens begon het er toch niet meer zo asymmetrisch uit te zien) was ik dan klaar. Was het helemaal wat ik wilde? Nee, maar het had vele malen erger kunnen zijn, het ziet er in ieder geval nog redelijk uit. Een ding is zeker: het is in ieder geval korter dan dat ik het ooit heb gehad, en een stuk koeler.

Een van mijn andere plannen voor Bangkok was om weer naar de film te gaan. Ik had gelezen dat er ergens een filmhuis zou moeten zijn, dus daar ben ik naar op zoek gegaan. Na twee keer de weg kwijt geraakt te zijn kwam ik dan aan bij House Cinema, wat er op het eerste gezicht nou niet echt artsy uitzag. Het is een vrij lelijk geel geverfd betonnen gebouw, wat dienst doet als mini-winkelcentrum/game arcade/bioscoop, met beneden een Japans restaurant. Erg veel films waren er niet (welgeteld 4), maar een ervan trok mijn aandacht: Jiro Dreams of Sushi; oftewel een documentarie over een van de beste, zo niet de beste sushichef ter wereld. Mjammie. Ter voorbereiding heb ik netjes bij het Japanse restaurant beneden heerlijk wat rauwe vis en sticky rice verorberd. Anderhalf uur gevuld met food porn later was ik weer erg gelukkig en ben ik langzaamaan (het had geregend, en mijn ubergeweldige fiets had geen spatborden. Je hebt pas door hoe nuttig die dingen zijn als je ze niet hebt) weer richtig Niras gegaan.

In Niras heb ik een Amerikaan (afgestudeerd in klassieke muziek, en heeft een jaar in Nederland gewoond) en een Argentijnse (TV chef in Argentinie) ontmoet. We hadden allemaal wel zin in een avondje uit, en hadden besloten om er dan ook maar gelijk een zeer decadent avondje van te maken. Oftewel: Skybar, here we come! Net als in Kuala Lumpur is de Skybar in Bangkok bovenop een hotel, en heeft dus een geweldig uitzicht over Bangkok. Dure drankjes zijn bij het fenomeen inbegrepen (rond de 10 euro voor een cocktail – je betaalt voornamelijk voor het uitzicht. Alhoewel de cocktails wel geweldig zijn. Espresso martini’s… mmm), en er is een dresscode, die eigenlijk voornamelijk bestaat uit ‘geen slippers en shorts’. Allstars en bergschoenen mogen daarentegen wel. Prima avondje gehad, heerlijk mensen kijken en ontzettend decadent cocktails drinken.

Inmiddels vond ik het toch wel tijd beginnen te worden om naar Cambodja te vertrekken. Eigenlijk wilde ik niet echt uit Bangkok weg, gewoon omdat ik de stad in al zijn gestoordheid geweldig vind. Toen kwam daar opeens een mail uit de lucht vallen: Henry, een van de jongens die ik uit Kuala Lumpur kende en die naar Chiang Mai was gekomen tijdens Oud & Nieuw, was op het moment in Cambodja en was wat ziekig. Of ik nog in Bangkok was, want hij kwam morgen er naartoe om uit te zieken. Uhm, ja, ik was nog in Bangkok. Uiteindelijk ben ik dus nog twee extra nachten in Bangkok gebleven, en heb ik hem een beetje rondgeleid. Toen werd het toch echt tijd om weg te gaan, aangezien mijn visum (15 dagen geldig deze keer, ik dacht dat ik maar een dag of 8 ervan gebruik zou maken) de dag erna zou verlopen. Als afscheid zijn Henry, de Amerikaan, de Argentijnse, een Engelse en ik vrolijk nog een keer naar Skybar gegaan. Helaas hadden zowel Henry als de Engelse vrouw geen dichte schoenen, dus zijn we ‘s avonds in Silom op schoenenjacht gegaan. Makkelijker gezegd dan gedaan. Een uur later had iedereen dan schoenen, en kon het feest weer beginnen. Daarna nog verder uitgeweest, om rond een uur of vier weer bij Niras te belanden. Mijn trein naar de grens met Cambodja ging om 05:55. Slik. Ik had daarom het geniale plan dat ik net zo goed niet kon slapen, aangezien ik dacht dat ik anders niet op tijd wakker zou worden. Ik dus rustig om vier uur ‘s ochtends niet helemaal nuchter mijn tas ingepakt, om mezelf daarna op de bank te installeren met het plan om wakker te blijven. Met nadruk op plan. Natuurlijk ben ik dus wel in slaap gedonderd om vijf uur, en om 5:40 ben ik wakker geschrokken. Shit. Ik dus heel snel mijn hele hebben en houden bij elkaar geraapt, de deur uitgesprint, gelukkig snel een taxi aangehouden en op de een of andere manier binnen een kwartier bij het treinstation aangekomen. Met een minuut te gaan voordat de trein zou vertrekken naar het loket gesprint, kaartje gekocht, naar de trein gerend en ingestapt. Ik was de allerlaatste, en zodra ik binnen was klonk het fluitsignaal en begonnen we te rijden. Phiew. I made it. Op naar Cambodja.

De grensovergang die ik nam is de meest gebruikte tussen Thailand en Cambodja, en staat erom bekend dat er extreem veel scams voorkomen. De meest voorkomende zijn nep-border officials die je een Cambodjaans visum proberen aan te praten voordat je Thailand uit bent (je moet eerst het ene land uitgestempeld worden, en daarna word je, na een korte wandeling, het volgende land binnengestempeld), of je proberen extra te laten betalen voor het visum. Nog een veel voorkomende scam is het wisselkantoor bij de grens; de exchange rate die je hier krijgt is ontzettend slecht, maar in principe geldt dit voor bijna alle overland crossings. In Cambodja zit er nog een extraatje aan: je betaalt als toerist namelijk bijna alles met US dollars. Je krijgt ook dollars als je gaat pinnen. De Cambodjaanse riel wordt gebruikt als wisselgeld, omdat ze geen centen hebben. Als je dus $1.50 moet betalen, betaal je dus over het algemeen met $1 en 2000 riel. Onhandig? Jazeker. Feit is, je hebt riel niet extreem vaak nodig. Bij de grens proberen ze je echter al je dollars en baht om te laten zetten in riel, wat niet echt nodig is. Altijd vrolijk, die grenzen. Gelukkig heb ik van alle scams weinig last gehad, maar een meisje waarmee ik later in de bus zat had bijna een nep-Cambodjaans visum gekocht.

Vanaf de geweldige grens ben ik naar Siem Reap gegaan, een stadje wat vrijwel alleen maar van toerisme leeft. Het is namelijk de dichtstbijzijnde plek vanwaar je main temples of Angkor kan bewonderen. Ik was er al eerder geweest: drie jaar geleden ben ik met mams, paps en broertjelief naar Vietnam geweest en toen hebben we er ook Angkor aan vastgeplakt. Het was dus vrij maf om opeens ergens rond te lopen wat je herkende, maar waar je deze reis nog niet was geweest. Siem Reap was in mijn herinnering niet zo heel erg veel veranderd, op de nog grotere groep toeristen na dan. Ze verkochten zelfs nog precies dezelfde dingen (kleding, meuk, etc) als drie jaar geleden, en ik heb dan ook maar gelijk van dat feit gebruik gemaakt om precies hetzelfde te kopen als toen. Logisch? Nee, maar geinig was het wel. In het hostel heb ik redelijke gedeeltes van de dag gespendeerd met het lezen van boeken en uitkateren (Siem Reap heeft een zware party status, ook al is het nachtleven niet eens zo geweldig. Alhoewel de namen van de twee meest bekende bars dan wel weer droog zijn: Temple bar & Angkor What?). Vervolgens ben ik ook nog ietwat ziek geworden, wat tot in Phnom Pehn aanhield. Maargoed.

De voornaamste reden dat ik, en de honderden, zo niet duizenden andere toeristen met mij, in Siem Reap waren, was toch wel Angkor. De vorige keer was ik naar de meest bekende tempels geweest (Angkor Wat & Angkor Thom, en alles wat daartussen ligt), dus deze keer wilde ik een aantal andere tempels zien, en verspreid over een aantal dagen. Ik heb dus een 3-dagen pas gekocht, waarmee je binnen een week 3x naar binnen kan. Weer eens een fiets gehuurd (een gele, voor de verandering), en op naar Angkor. Eenmaal binnen het terrein besloot ik als eerste naar Banteay Srei, een tempel zo’n 28km van de ingang en 32km van Siem Reap te fietsen. De tocht was geweldig: Cambodja heeft een ontzettend mooi landschap, en de weg was relatief goed. Onderweg werd ik meerdere malen door vrachtauto’s gepasseerd waar achterin monniken zaten. Die vonden het prachtig, een meisje op de fiets, dus hoppa, ze pakten hun mobieltjes erbij (nog zoiets leuks aan economic progress & globalisation: je ziet overal in Zuid-Oost Azie monniken met mobieltjes, iPods en weet ik het wat), en begonnen foto’s te maken terwijl ze me aanspoorden om de wagen bij te houden. Een beetje als de omgekeerde wereld voelde het wel, maar het was erg geinig. Sowieso heb ik bijna altijd de leukste reacties van mensen gehad als ik op de fiets zit. Ideetje voor de volgende reis…

Banteay Srei was erg mooi, maar wat voornamelijk mooi was, was dat er weinig andere toeristen waren. Het was rond lunchtijd, dus de meeste mensen waren met de bus allang weer vertrokken, terwijl ik net was aangekomen. Perfecte timing dus. Daar wat gegeten (amok, oftewel kip met kokosnootmelk en verschillende groenten gewokt, en geserveerd in een kokosnoot. Een van Cambodja’s betere nationale gerechten), en rondgekeken, om vervolgens weer de tocht terug aan te vangen. Toen ik bijna terug was, zag ik een bordje naar een andere tempel waar ik graag naartoe wilde (Preah Khan), dus daar ben ik ook vrolijk naartoe gefietst. In zoverre dat je een ‘favoriete’ tempel kunt hebben, is Preah Khan zeker weten mijn favoriete tempel. Het is een complex van 700, 800 meter lang, en archeologen denken dat het gebruikt is als een soort universiteit. Je hebt twee ingangen; ik ben er aan de rustigere kant ingegaan, en heb stiekem m’n fiets naar binnen getild. Eenmaal binnen werd ik door een bewaker vriendelijk verzocht om m’n fiets even te parkeren en verder door het complex te lopen. Zo gezegd, zo gedaan, en een tijdje door Preah Khan gedwaald. Aangezien ik er relatief laat op de dag was, waren ook hier weinig mensen, en ik heb echt mijn ogen uitgekeken. Aan de andere kant van het complex aangekomen werd me duidelijk gemaakt dat ik richting uitgang moest gaan, omdat het park bijna ging sluiten. Oeps. Sorry meneer de bewaker, maar mijn fiets staat 800m terug. Ik ga ‘m even halen, goed? Ik teruggelopen, fiets gepakt, en erachter gekomen dat er een soort pad om het complex heen liep waar ik dus overheen kon fietsen. BEST FIETSPAD EVER. Na een zeer geslaagd maar vermoeiend dagje dus terug naar Siem Reap gefietst.

De dag erna voelde ik me niet geweldig, dus ik ben tegen zonsondergang pas richting Angkor gefietst. Daar aangekomen werd me duidelijk dat ik me eigenlijk te beroerd voelde om fatsoenlijk van het uitzicht te genieten, dus ben ik vrij snel weer teruggegaan. In die korte periode heb ik het toch voor elkaar gekregen om door een aantal Cambodjaanse kinderen achterna gezeten te worden. Ik had bedacht dat het toch mogelijk moest zijn om de zonsondergang achter Angkor Wat te zien, in plaats van ervoor, of op de heuvel waar iedereen gaat zitten (dat is werkelijk waar de ergste toeristische attractie die je ooit zult zien: ik heb vrij zelden zoveel toerbussen bij elkaar gezien). Mijn plan was dus om te proberen om Angkor Wat heen te fietsen, iets wat niet met de officiele paden ging. Ik ben dus een aantal paadjes ingeslagen, en bij eentje werd ik na een meter of 10 door een groepje kinderen staande gehouden, die eerst om eten eisten (wat ik niet bij me had) en vervolgens om geld. Ik ben vrij snel omgekeerd, en daarop besloten ze allemaal om schreeuwend achter me aan te rennen. Een vergelijkbaar geval was de dag ervoor gebeurd: op weg naar Banteay Srei stonden kleine kinderen langs de kant van de weg naar je te schreeuwen of je een foto van ze wilde maken, voor minstens $1. Kijk, ik begrijp best dat het een goeie business is, en het is ook best slim van ze. Maar bijna iedereen die ik tegenkom vindt Cambodja altijd geweldig, en voornamelijk door de mensen. Degenen die dit verkondigen, zeggen ook altijd dat ze Vietnam verschrikkelijk vonden, omdat ze daar altijd het idee hadden dat iedereen op hun geld uit was. Hoe ik het voor elkaar krijg, weet ik niet, maar na twee keer in zowel Cambodja als Vietnam geweest te zijn, moet ik zeggen dat keer op keer blijkt dat voor mij het omgekeerde waar is. The Khmer and I don’t really mix, for some reason. Ach ja. Ieder zo z’n eigen ding.

De volgende ochtend ben ik voor zonsopgang weer naar Angkor Wat gefietst. Om 04:40 zat ik op de fiets, om 04:55 reed ik als een van de eerste mensen Angkor binnen. (Het park gaat elke dag om 5 uur ‘s ochtends open. Long live sunrise.) Je ziet dan eigenlijk bijna niks, maar dat is de charme ervan. Je bent tegenwoordig in Angkor nooit alleen, maar als je ‘s ochtends zo vroeg naar binnen rijdt is er bijna niemand, en heb je echt het idee dat je tempels aan het ‘ontdekken’ bent (ook al is dat natuurlijk niet zo). Enfin, meer dan een uur wachten later werd het dan licht, en heb ik Angkor Wat weer snel verkend. Toen ik weer naar buiten liep, kwam de zon net boven de tempel uit. En mijn god, je hebt nog nooit zo veel mensen tegelijkertijd dezelfde foto zien nemen. Erg grappig was het wel. Toen snel nog naar de Bayon (tempel met 216 gezichten, favoriete tempel nummer 2, ook al is het vrij toeristisch) en Ta Prohm (enige tempel die nog in redelijk oude staat is gehouden, i.e. het is nog vrij overgroeid) gefietst, en daarna vlug weer terug naar Siem Reap, om rond het middaguur de bus naar Phnom Penh, de hoofdstad van Cambodja, te pakken.

‘s Avonds ben ik dan in Phnom Penh aangekomen. Wat me als eerste opviel toen we de stad binnenreden, was dat er allerlei islamitische restaurants waren, en ook een of twee moskees. Sinds Maleisie had ik vrijwel niets islamitisch meer gezien, dus het was erg verfrissend om weer eens een andere soort cultuur te zien. Uiteindelijk heb ik daar in de dagen erna vrij weinig van gemerkt, maargoed, het was toch leuk. Eenmaal uit de bus een tuktuk genomen en op zoek gegaan naar een hostel. Het hostel waar ik naar op zoek was bleek vol te zijn, en in de buurt waren niet echt andere hostels, dus ik ben na een tijdje zoeken het eerste het beste hotel ingegaan en heb toen een duizelingwekkende $15 voor een kamer neergeteld. Ach ja, het was dan ook een zeer goeie kamer. Twee slechte films gekeken, en heerlijk in slaap gevallen.

(Side note: Phnom Penh doet me een beetje aan India denken. Chaos all around. Het verkeer is zeer chaotisch, maar nog niet zo erg als in Vietnam. Wel een goeie voorbereiding.)

De volgende dag was ik dus van plan om op zoek te gaan naar een goedkopere kamer. Toen ik over straat liep met m’n backpack, liep ik bijna letterlijk tegen een jongen aan die ik uit Siem Reap kende. Hij vertelde me toen dat hij de dag ervoor met een Couchsurfer op pad geweest was, en dat als ik op zoek was naar een slaapplek, ik hoogstwaarschijnlijk wel bij hem terecht kon. “You interested? I have his phone number, so I can call him for you, and you’ll just do the talking. Wait, I’ll call him right now…” Oke. “Hello?” “Hi, is this Eric?” “Yeah!” “Good. Mitch sent me, and I was wondering… can I crash on your couch?” “Sure! I’m at work, but someone should be home right now. I’ll be back at 5. See you!” En zo rolde ik dus mijn allereerste echte couchsurf ervaring binnen. Eric is een Amerikaan die de afgelopen 20 maanden in Phnom Penh heeft gewoond (en inmiddels is vertrokken; hij is net aan z’n wereldreis begonnen), in een gigantisch huis. Aangezien hij alleen woont, heeft hij dus besloten om alle andere kamers (een stuk of 5) beschikbaar te stellen voor couchsurfers, wat betekent dat hij gemiddeld tussen de 5 en de 10 CS’ers per nacht heeft, en bijna iedereen blijft minstens een nacht of 5, wat voor Phnom Penh ongehoord lang is (de meeste mensen blijven 2, max 3 dagen). Overdag verkende ik dus op m’n gemakje Phnom Penh, lopend of achterop een moto (motortaxi, zelfde als in Bangkok, alleen heb ik hier zijwaarts achterop zitten geleerd! En je moet de motodriver aanwijzingen geven, anders ga je vrolijk rechtdoor de stad uit.), en ‘s avonds gingen we vaak met iedereen in het huis (toen ik daar was, tussen de 3 en 6 mensen) uit eten. Best gezellig, en ik ben dan ook 5 a 6 dagen in Phnom Penh geweest. Ook al was het couchsurfen een redelijk goeie ervaring, het was toch anders dan ik had verwacht. Het was gezellig, met al die verschillende mensen in huis. Maar daardoor had ik veel minder contact met m’n host dan ik had gehad als ik de enige CS’er in het huis geweest zou zijn. De volgende keer dan maar…

(Side note number 2: In Phnom Penh heb ik ruzie gehad met een computer toen ik m’n foto’s op een memorystick probeerde te zetten. Opeens leken al m’n foto’s weg te zijn… Gelukkig had ik van het grootste gedeelte wel al een back-up, maar van de laatste Angkor foto’s dus niet. Na een gevecht van een uur of 2 kwam ik erachter dat er een soort extra mapje op de SD kaart was gekomen waar m’n foto’s in stonden. Probleem gefikst. Bijna 2 maanden later blijkt nu dat dat mapje verdwenen is, en ben ik dus waarschijnlijk nog steeds die foto’s kwijt…)

Waar Phnom Penh helaas voornamelijk om bekend staat, is de vrij depressieve recente geschiedenis onder de Khmer Rouge. Deze Cambodjanen hadden het ‘geweldige’ plan om van Cambodja een peasant state te maken, oftewel, iedereen moest boer zijn. Iedereen die een intellectueel was (brildragers, schoolgangers of meertalige mensen) werd zonder pardon opgesloten, in werkkampen geplaatst en over het algemeen vermoord. De hoofdgevangenis stond in Phnom Penh en stond/staat bekend als Tuol Sleng, of S-21. Aangezien alles wat intellectueel was verboden werd, werden alle scholen gesloten. Tuol Sleng is dus een oude middelbare school, en dat was voor mij eigenlijk het meest schokkende toen ik naar de ex-gevangenis ging. Het ziet er letterlijk nog steeds uit als een school, en je loopt dus ook een klaslokaal in waar een schoolbord aan de muur hangt en een ijzeren bed met kettingen in het midden staat. Verder zijn alle gevangenen gefotografeerd, en al deze fotos worden tentoongesteld in een aantal klaslokalen/cellen. Erg vrolijk is het allemaal niet, en na anderhalf uur en veel zwart-wit foto’s was ik zeker klaar.

Vanuit Phnom Penh had ik de keus om verder Cambodja in te trekken, of gelijk naar Vietnam door te stomen. Aan de ene kant had ik veel goeie dingen over Kampot, een plaatsje aan de Cambodjaanse kust, gehoord, en was het erg tempting om daar naartoe te gaan. Aan de andere kant, hoewel ik het best naar m’n zin heb gehad in Cambodja, heb ik toch nog steeds meer met Vietnam, en ik moest toch echt 10 of 11 maart China in. Elke dag die ik dus langer in Cambodja bleef, betekende minder tijd in Vietnam. Toen een van de CS’ers bij Eric thuis me toen vertelde dat hij gerust langer in Vietnam was gebleven als z’n visum niet was verlopen, heb ik de knoop doorgehakt: Saigon, here I come! De volgende ochtend dus de bus gepakt naar Saigon, en dat was toch wel een slight cultureshock.

Want na meer dan 2 maanden alleen maar Thai-achtige tempels gezien te hebben, waren alle rood-goud-glimmende tempels verdwenen en vervangen door Chinese pagodes. Verfrissend, ja, maar wel heel maf. Wat ook heel maf was, was alweer in een plek zijn waar ik al eerder geweest was. Ik heb daarom gewoon weer rustig rondgelopen en HEERLIJK gegeten. Oh mijn god, I love Vietnamese food. Cambodja heeft prima eten, maar na Thailand en Maleisie is het een beetje… jammer. En dan kom je weer in goddelijk Vietnam terecht. Noedels, springrolls, en allerlei variaties die ik nog niet kende. Banh xeo is een grote favoriet, net als bun cha (alhoewel dat meer iets van het noorden is).

En ik wilde alweer fietsen. Gewoon, omdat ik er eigenlijk heilig van overtuigd was dat ik dat nooit ofte nimmer in Vietnamees verkeer zou doen. Klein probleempje: waar haal je een fiets vandaan? Want die eenzame Hollander die gek genoeg is om te willen fietsen kan niet echt rendabel zijn. Scooters kon je wel overal huren (scooter:auto ratio in Vietnam: zo rond de 20:1), maar die wilde ik nou eenmaal niet. Enfin. Een halve dag zoeken later had ik dan uiteindelijk m’n fiets. Een rotding, maar ik heb er veel plezier van gehad. Lekker door het verkeer rondcrossen, zo voel je je al heel snel alsof je er woont. Verder heb ik me erg als een expat gedragen; naast veel Vietnamees eten heb ik ook een cafe ontdekt waar ze Mediterraans eten hadden (hello, hummus, it’s been a while), en daar heb ik stevige gedeeltes van m’n dag versleten met een boek. Cafe culture is awesome.

(Een andere verkeer-gerelateerde opmerking: oversteken in Vietnam wordt door sommigen als een kunst beschreven. Het is in ieder geval anders. Wat je doet, is gewoon lopen, niet te snel, in een constant tempo. Zo kunnen de moto’s inschatten waar je zult zijn, en kunnen ze dus om je heen rijden. Auto’s, vrachtwagens en bussen doen niet aan deze regel, however, dus als er eentje aankomt, betekent dat dus of wel rennen, of toch maar even stilstaan. Zolang het maar geen onverwachte beweging is.)

Wat anders was aan Saigon, was de architectuur. Opeens stond daar een gigantisch hoog gebouw (Bitexco tower, lijkt een beetje op een soort CD-toren waar een CD uitsteekt), wat er drie jaar geleden toch echt niet was. En waar een hoog gebouw is, met uitzicht vanaf de 49e verdieping o.i.d., daar moet ik zijn. Achterlijk duur toegangskaartje (10, 15 euro als ik het me goed herinner…), maar het was het zeker waard. Zonsondergang over Saigon, oh yeah. Photo galore all around. Ze komen eraan, I promise.

Na een aantal dagen in Saigon geweest te zijn, kwamen Kim en Tamara dezelfde richting op. Zij waren inmiddels bijna een maand aan het reizen, en het was best gezellig om weer eens mensen van thuis te zien die m’n eigen leeftijd waren. Wel maf om weer veel Nederlands te spreken. Een aantal avonden met hen opgetrokken, en toen richting de Mekong Delta getrokken, waar ik nog nooit geweest was.

Nu kun je de Mekong Delta op twee manieren proberen te zien: via een tour of op je eigen houtje. Nou ben ik vrij slecht met tours, en ik wilde graag zelf beslissen waar ik heen ging, dus ik heb vrolijk de bus gepakt naar Tra Vinh, een klein plaatsje wat de hoofdstad is van de gelijknamige provincie. De voornaamste reden waarom ik hier naartoe ging? Er schenen Khmer-style tempels in de buurt te zijn, en ik moest nog even afkicken van Thai-Khmer tempels. Ook zouden er weinig toeristen zijn. Dat laatste was zeker waar, want ik ben in Vietnam nog nooit zoveel aangestaard als daar. Ik kreeg allerlei kinderen om me heen die verlegen in hun beste Engels “Helloooo” of “You are beautiful!” naar me riepen vanaf de fiets. En ik heb in de anderhalve dag dat ik er was, geen enkele andere buitenlander gezien. Toen ik ‘s avonds door het stadje liep, op zoek naar eten, werd ik op sleeptouw genomen door een Vietnamese vrouw, die alles van me wilde weten. Ik ben achterop haar fiets gesprongen en ze heeft me toen meegenomen naar een tentje met noedels, waar we gezellig hebben gegeten. Ondertussen probeerde ze me volgens mij aan haar 16-jarige zoon uit te huwelijken, dus toen werd het toch maar tijd om te vertrekken.

De volgende dag bleek dat de Khmer tempels verspreid door de provincie lagen, en niet in Tra Vinh city zelf. Ach ja. Ik heb vanuit de bus in ieder geval wat gezien. Die ochtend heb ik de bus genomen naar Can Tho, een van de grootste plaatsen in de Mekong Delta. Mij was verteld dat dit ook iets toeristischer zou moeten zijn dan Tra Vinh. Maar toen ik in Can Tho aankwam – geen toerist te bekennen. Vrolijk rondgelopen, weer lekker gegeten, en uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat ik in het ‘verkeerde’ stuk van Can Tho was neergestreken. Vervolgens het toeristische stuk gevonden, wat ook de enige plek in heel de Mekong Delta was waar ik werd aangesproken of ik dit en dat wilde kopen, en er dus vrij snel weer weggegaan. ‘s Avonds rustig rondgelopen, en weer door allerlei kinderen in hun beste Engels aangesproken. Wie zei dat de Vietnamezen niet aardig waren? Ik ben nooit zo geholpen in Cambodja…

Na de volgende ochtend langs de floating market gegaan te zijn (een uur lang met een krakkemikkig bootje tussen alle andere boten vol met groete en fruit doorvaren, was erg grappig), ben ik weer teruggegaan naar Saigon, waar Kim en Tamara nog steeds waren. Zij hadden inmiddels een groepje couchsurfers ontmoet, locals en expats alike. Met hen dus ook een middag gespendeerd (“We’re going to play badminton later as well, wanna come?” “Okay…” Vervolgens bleken ze nog goed te zijn ook. Ach ja, het was uiteindelijk erg leuk). Een dag later gingen Kim & Tamara richting de Mekong Delta, en ben ik naar Mui Ne gegaan, een strandplaatsje wat ook bekend staat om de zandduinen daar 30km vandaan. Verwachte reistijd? 3 uur. Of 6. Zes bleek een betere guesstimation, en ‘s avonds laat kwam ik dan uiteindelijk in Mui Ne aan. Het eerste wat opvalt: elk tweede bord is in het Russisch. De Russische toeristen zijn erg duidelijk aanwezig (helaas), en in zeer grote getalen. Ach ja. Ik heb snel een guesthouse gevonden die niet achterlijk veel geld wilde, even uit eten gegaan en ben vrij vlot m’n bed ingedoken.

Ik had vantevoren besloten dat ik eigenlijk maar 1 nacht in Mui Ne wilde blijven, om zo snel mogelijk naar Hoi An door te kunnen stomen. (Jaja, de 10 maart deadline was er een waar ik me aan wilde houden…) Helaas is het op z’n zachtst gezegd een takke-eind naar Hoi An, en dan is de trein toch wel een erg fijne optie. Probleempje: Mui Ne heeft geen treinstation, dus treinkaartjes kopen wordt wat lastig. Tenminste, zonder commissie van een reisbureau. Ik dus een moto gevonden, die me, na 3 keer verkeerd gereden te zijn, naar het station heeft gebracht. Het verkeerde station, weltevredenstaan, waar ik geen treinkaartje naar Danang kon kopen (het dichtstbijzijnde treinstation voor Hoi An). Ongeveer een uur later stond ik dus weer in Mui Ne, en ben ik toch maar naar een reisbureau gelopen, waar me uitgelegd werd dat de treinkaartjes voor vandaag uitverkocht waren. “Do you have any bustickets to Hoi An for tonight, then?” “Not tonight, but today at 2pm, yes.” “What time is it now?” “Quarter to two.” Oke. Toch maar het kaartje gekocht, achterop de moto van de verkoper naar het guesthouse gespurt om m’n tas op te halen en een kwartier later zat ik dan in de sleeperbus naar Nha Trang, en vanaf daar de bus naar Hoi An. Sleeperbussen zijn een speciaal soort bus: de ‘stoelen’ staan in 3 enkele rijen naast elkaar en twee boven elkaar, en de stoel kan bijna helemaal platgelegd worden als een soort bed. Helaas hebben ze ook bedacht dat het een top idee zou zijn om een soort kastje om je voeten+kuiten heen te bouwen, waardoor je als lange Nederlandse eigenlijk vrij moeilijk kunt bewegen. Voor 14-16 uur is dat toch ietwat onprettig. Ach ja, het was in ieder geval goedkoper dan ik dacht…

Op de stoelen na was de busreis eigenlijk best leuk. Het Vietnamese landschap veranderde namelijk voortdurend: Mui Ne is aan het strand, dus je ziet de zee voor een hele tijd; vervolgens ga je meer landinwaarts, en dan lijkt het landschap meer op iets wat je in Zuid- of Midden-Amerika zou tegenkomen. Eindeloze rode vlaktes, heel dor, bezaaid met stenen. Je zou bijna verwachten dat er een cowboy of gaucho doorheen zou rijden. Daarna doemen er opeens bergen aan de linkerhand op, en verschijnen allerlei kleine huizen en tempels die qua kleurenschema ook in Mexico niet zouden misstaan… Heel surrealistisch, en erg mooi.

Enfin. De volgende ochtend kwam ik dan als een soort krant in Hoi An aan. Na eerst ook vrolijk weer de verkeerde kant uit gelopen te zijn, heb ik het centrum gevonden. Weer in een guesthouse neergestreken, en even bijgeslapen. Toen werd het toch tijd om m’n email te checken, en toen was daar een update van de University of Edinburgh: er was iets in mijn application status veranderd. Ik was dus of wel of niet aangenomen. Eigenlijk was ik doodsbang om te kijken, dus dat heb ik tot later gehouden. Ik ben de stad maar gaan verkennen, wat eigenlijk meer een dorpje is. Hoi An staat voornamelijk bekend om alle kleermakers, en er schijnen er meer dan 200 te zijn… Je wordt op straat achtervolgd door Vietnamese vrouwtjes die een ‘praatje’ met je proberen te maken, en zo je hun winkel in proberen te sleuren. Hoi An is verder een ontzettend pittoresk plaatsje, met allerlei kleine straatjes en winkeltjes (die wel 100% op toerisme draaien). Na een aantal uur rondgelopen te hebben en meerdere keren in een cafe met een boek neergestreken te zijn, ben ik teruggelopen om toch maar de gevreesde Edinburgh status update te bekijken. Maar lo and behold, was daar ook een email van de University of Toronto… en ik was daar aangenomen! (en in Edinburgh afgewezen) Groot feest dus, en ik heb zeer vrolijk de rest van de avond gevierd met veel te dure kaas en wijn, gewoon omdat het kon. Mijn dag kon niet meer stuk, ik ging immers waarschijnlijk naar Toronto verhuizen!

En toen werd het alweer tijd om te fietsen. De dag erop een fiets gehuurd, en op zoek gegaan naar een tempel net buiten Hoi An, die zogenaamd voor 11 uur ‘ s ochtends op zijn best zou zijn (omdat de monnikken dan bezig zouden zijn met hun laatste maaltijd van de dag). Op een gegeven moment zou ik een keer naar links moeten gaan, maar de afslag die me verteld was kwam ik nooit tegen… Toen was daar het bordje “Danang, 25km”. Och, ik kon eigenlijk ook best naar Danang (de derde grootste stad in Vietnam) gaan fietsen! Zo gezegd, zo gedaan, en een zeer warme en zweterige fietstocht later kwam ik roodverbrand (want: vergeten in te smeren…) in Danang aan. Daar ben ik gelijk naar het treinstation gegaan om een kaartje voor de volgende dag naar Hue te kopen, een stad 3 uur verderop. Verder nog even rondgedwaald, een tempel gezien, geluncht, en tegen die tijd was het al een uur of drie. De heenweg was niet bijster inspirerend geweest (ontzettend veel hotels die in aanbouw waren langs de zee, waardoor je de zee vanaf de weg dus compleet niet meer kon zien), dus ik wilde een andere weg terugnemen. Uiteindelijk, na eerst op de snelweg beland te zijn, kwam ik een kleine afslag tegen die in de goede richting leek te gaan, en die me dwars door de rijstvelden zou brengen. De weg was prachtig, erg idyllisch, maar na een tijdje begon het toch wel een beetje te knagen of ik echt de goede kant op aan het fietsen was. Er kwam een Vietnamese langs die wat Engels sprak, en toen bleek dat ik, als ik deze weg zou volgen, zo’n 300km ten westen van Hoi An uit zou komen. Whoops. Ik had dus een kilometer of tien in de verkeerde richting gefietst, zo niet meer, en moest terug. Gelukkig bleek er ook nog een andere weg te zijn, waardoor ik niet helemaal terug hoefde te fietsen naar Danang. Een aantal zeer vermoeiende uren, gevuld met mooie uitzichten en weinig toeristen, later zag ik dan eindelijk het bordje “Hoi An, 5km”. Het was in ieder geval een goeie work-out geweest…

De volgende ochtend ben ik via Danang (per moto deze keer…) met de trein naar Hue gegaan. Deze treinreis scheen een van de mooiste van het hele land te zijn, en ik kan dat gedeeltelijk beamen. Je rijdt een groot gedeelte van de tijd echt langs de zee, aan de rand van de klippen, en hebt een prachtig uitzicht over de bergen en het leven in en op het water. Jammer genoeg was het na drie kwartier gedaan met de pret: het begon ontzettend te misten. Ik heb me verder prima vermaakt in de overgebleven uren. Ik had een hard seat (3e klas) kaartje gekocht, waar vrijwel alleen maar Vietnamezen mee reizen. Als enige buitenlander viel ik dus ietwat op, en werd zeer onderzoekend aangekeken. Schijnbaar hadden ze besloten dat ik wel te pruimen viel, en prompt werd er allemaal eten mijn richting opgestuurd door m’n buren. Fruit, een soort dumplings in bananenbladeren en ga zo maar door, het passeerde allemaal de revu en het was allemaal heerlijk. Toen de trein dan uiteindelijk in Hue aankwam heb ik hartelijk, met handen en voeten, afscheid genomen van deze new temporary friends.

Hue was nog een plek waar ik al eerder geweest was. Mijn voornaamste herinnering aan deze plek was echter regen. Heel veel regen. De vorige keer hebben we zo’n 3 dagen non-stop regen gehad, zoals het alleen in Vietnam kan voorkomen. Deze keer was het gelukkig anders: ik heb geen spatje regen gezien, ook al was het vrij grijs. Hierdoor was het toch iets plezieriger om de stad te bekijken dan de vorige keer! Het blijft raar om elke keer weer langs plekken te lopen en te denken “hier ben ik al eens eerder geweest… maar met anderen…”. Anyway. Hue staat voornamelijk bekend om haar oude stad, de citadel. Hierin staan een soort paleis, een fort en heel veel gewone huizen. Dat is het meest opvallende: ook al is het een toeristische attractie, de citadel is vooral een plek waar veel Vietnamezen gewoon wonen. Ook in Hue heb ik een fiets gehuurd (een oranje, Hollandser kan bijna niet) en heb ik lekker rondgefietst, dwars door de stad, over de bruggen en door de citadel. De wegen waren niet optimaal, maar dat is wel vaker zo in Zuid-Oost Azie. Intussen had ik bun cha ontdekt, oftewel barbeque pork op 2 manieren (een soort spek en een soort gehaktbal), geserveerd met koude, dunne noedels die je in een saus moet dopen met sla en verschillende kruiden. Mijn uitleg probably doesn’t do it justice: ik ben zo’n grote fan van dit gerecht dat ik het in de anderhalve week erna nog minstens zes keer besteld heb…

(Even tussendoor: ik leef inmiddels niet meer non-stop in 32 graden met een vochtigheidsgraad van rond de 80%. Nee, het was vanaf Hue koud. Heel koud, voor mijn gevoel. Moeder, ik dank je ten zeerste dat je m’n leren jas toch had meegenomen naar Laos, ik heb hem sinds Hue bijna elke dag gedragen…)

Na een paar dagen in Hue rondgehangen te hebben werd het tijd om richting Hanoi te gaan, weer met de trein. Het probleem met de trein in Vietnam is dat het twee, zo niet drie keer zo duur is als de bus. Het verschil is dat je in de trein fatsoenlijk kunt slapen (ik tenminste). Ook had ik van meerdere mensen gehoord dat hun busreis van Hanoi naar Hue, ongeveer 18 uur, in een 30-urige reis was veranderd door a) meerdere lekke banden, b) een overhitte motor, c) andere panne. Daar zat ik niet op te wachten, en met de busreis van Mui Ne naar Hoi An nog vrij vers in het geheugen heb ik met liefde meer neergeteld voor een treinkaartje. En de volgende ochtend was ik dan, vrij goed uitgerust, in Hanoi!

Ook Hanoi had ik al met ouders en broertjelief verkend, maar op de een of andere manier kon ik me dat, op een paar dingen na, niet erg goed herinneren. Wat me allereerst opviel, was hoe anders het is dan Saigon. Weinig tot geen echte hoogbouw (wel een aantal hele lelijke gebouwen, kuchkuch Ho Chi Minh’s Mausoleum kuchkuch), en alhoewel het verkeer bekend staat als het meest gestoorde in Zuid-Oost Azie, leek het een rustigere stad dan hectisch Saigon. Ik vond het daarom ook prima om rustig rond te lopen en in verschillende cafe’s urenlang een tafeltje bezet te houden, terwijl ik een boek las en van mijn lime juice of koffie met gecondenseerde melk en hapjes genoot. Life ain’t bad. Op een gegeven moment begon het toch een beetje te kriebelen, en heb ik, gewoon omdat het kon, weer een fiets gehuurd. Mijn god. Ik heb het overleefd, maar Hanoi is de enige stad in heel Zuid-Oost Azie waar ik het idee had dat ik daadwerkelijk door een auto neergemaaid zou worden als ik niet heel snel opzij ging als er eentje aankwam. Terwijl ze in Hanoi wel iets hebben wat voor een fietsstrook door moet gaan. Dat er negen van de tien keer auto’s overheen rijden en dat het vaak het slechtst onderhouden stuk weg is, doet er verder niet toe.

Vietnam, en Hanoi zeker, staat ook bekend om de wat interessante keuzes qua eten. Zo heb ik in Saigon per ongeluk een fertilized duck egg besteld, oftewel een hardgekookt eendenei in tamarindesaus waar een embryo in zit. Erg lekker was het niet. In Hanoi fietste ik op een gegeven moment langs allerlei streetstalls met dieren aan het spit. Eerst dacht ik dat het misschien dunne varkentjes waren (met een wel erg lange staart), en bij nadere inspectie bleken het geroosterde honden te zijn. Not completely my cup of tea, maar he, iemand zal het vast lekker vinden.

Na zo een dag of vijf, zes in Hanoi te hebben rondgedwaald, gegeten en uitgegaan ben ik met de nachttrein naar Lao Cai, het station voor Sapa, gegaan. Zodra ik uit de trein stapte werd ik aangesproken door een Vietnamees, die me in een minibusje richting Sapa probeerde te loodsen. Kosten? 150,000 dong, oftewel rond de 6 euro. Hoeveel zou het moeten kosten? Rond de 30,000. Schijnbaar was ik de enige die dat wist, want iedereen die in de bus zat, had dus al de volle 150,000 betaald. 10 minuten en een hoop vrolijk onderhandelen later mocht ik dan toch voor een derde van de prijs mee. Hij blij, ik blij.

Sapa staat bekend om de rijstterrassen in de heuvels eromheen, en allerlei ethnic minorities/hilltribes (op het moment de toeristenindustrie in heuvelachtig Zuid-Oost Azie). Toen ik in Sapa aankwam, was het nog relatief zonnig, en ik had dus vanuit de bus al een aantal terrassen kunnen bewonderen. Na een uur of twee begon het echter ontzettend te misten, en kon je niet meer dan 10 meter voor je uit zien. Helaas is dat de hele dag, en de dag erna, zo gebleven, en heb ik verder dus vrij weinig gezien.

Mijn oorspronkelijke plan was dat ik maar een nacht in Sapa zou blijven, om de volgende dag door te stomen naar China (de grens is in Lao Cai). Toen het zo begon te misten besloot ik toch maar een dag langer te blijven, om te kijken of het de volgende dag op zou trekken (wat niet het geval was). Die volgende ochtend werd ik, zodra ik wakker werd, door een Schotse dame aangesproken die in dezelfde dorm verbleef. Ze zou door een vrouw uit een van de nabijgelegen dorpjes rondgeleid worden en naar haar huis gaan lopen, wat in totaal zo’n vier tot vijf uur zou zijn. Of ik meewilde. Ik heb gelijk ja gezegd, en dat bleek een van de betere impulsieve beslissingen te zijn die ik tot nu toe heb genomen. Heel veel mensen maken namelijk zo’n wandeling, en die wandeling wordt altijd door een soort tour agency geregeld. Met als resultaat dat iedereen altijd naar dezelfde dorpen gaat, en in zeer grote getalen. Toen we op de andere mensen uit ons groepje (in totaal 4, bleken mensen te zijn die ik uit de bus naar Sapa kende) stonden te wachten, zagen we inderdaad complete kolonnes mensen een bepaalde richting oplopen. Zodra de andere twee gearriveerd waren, liepen wij precies de andere kant op. Dit zette de toon voor de rest van de wandeling: onderweg hebben we geen enkele andere toerist gezien, alleen maar andere hilltribers die van of naar hun dorpjes aan het lopen waren. Ook al konden we door het weer niks zien, de wandeling was erg leuk: onze ‘gids’ sprak vrij goed Engels, en zo konden we allerlei vragen stellen over haar cultuur en leven. Ze was sowieso erg grappig, en vond het ook een geweldig idee om ons allemaal rijstwijn (vaak zelfgestookte white alcohol van minstens 40%) te laten drinken zodra we binnen waren. Vervolgens begon ze, samen met haar schoonzus, voor ons te koken, en kwam er heerlijke kip met gember, gebakken paddestoelen, tofu met tomaat en nog vee meer op tafel te staan. Het was een gezellige dag, en eentje die ik niet snel zal vergeten.

De volgende ochtend zei ik dus gedag tegen Zuid-Oost Azie: ik ging China binnen! Ik wist dat China een grotere uitdaging zou worden dan Zuid-Oost Azie, en dat is me inderdaad vanaf het allereerste moment duidelijk gemaakt. De eerste bus vanuit Sapa naar Lao Cai die niet vol zat ging om 1 uur ‘s middags, waardoor ik rond half drie dan uiteindelijk bij de grens stond. Lao Cai, Vietnam uitgegaan, de brug overgelopen (het blijft leuk om letterlijk een grens over te lopen) en Hekou, China ingestempeld. Ik scheen de enige Westerse te zijn die rond die tijd de grens overging, dus mijn paspoort en uiterlijk wekte zeker de aandacht. De gemiddelde Vietnamees was misschien een halve minuut kwijt aan de Chinese kant van de grens, ik heb daar bijna 10 minuten gestaan terwijl mijn paspoort uitgebreid bekeken werd, en ik over alles vragen gesteld werd (“This is your second time to China?” “You have just come from Vietnam?” “You are going to Kunming?” etc). Uiteindelijk was ik erdoorheen, horloge een uur vooruitgezet (ook al is China gigantisch, Beijing heeft besloten dat het een fantastisch idee is om overal Beijing time aan te houden) en op zoek gegaan naar een bank. Ik had helemaal geen yuan, en die dingen komen toch wel van pas als je een buskaartje wilt betalen. Uiteindelijk, na met gebrekkig Chinees en handen en voeten gevraagd te hebben waar een bank was (zodra ik de grens over ging, sprak bijna niemand meer Engels. Logisch, maar toch maf), heb ik er een gevonden. Bleek m’n kaart het niet te doen. Geld wisselen dan maar. Kan ik deze 50 euro wisselen? Nee, het is zondag, en het enige wat we accepteren zijn dollars. Fijn. Ik, na even zoeken, een 20-dollar biljet gevonden en dat maar omgewisseld. Vervolgens ben ik naar het busstation gegaan (10 minuten met de taxi). Zijn er nog bussen naar Yuanyang (voor de rijstterrassen)? Nee, die zijn allemaal al vertrokken. Oke. Shit. Kunming dan? Ja, er is een nachtbus om 8 uur. Het was inmiddels een uur of 5. Prima. Hoeveel? 147 yuan. O. Ik heb ongeveer 125 yuan… Ik werd dus teruggestuurd naar de bank, die volgens hen 10 minuten lopen was, maar, inderdaad, 10 minuten met de taxi bleek te zijn. Gelukkig werkte een andere kaart wel, en had ik toch wat geld. Snel nog wat eten gehaald voor in de bus, en teruggegaan naar het busstation. Kan ik nu het kaartje naar Kunming kopen? Sorry, bus is uitverkocht.

Merde.

Na even naar buiten gelopen te zijn, heb ik dan maar een kaartje naar Kunming voor de volgende dag gekocht. Toen ben ik maar op zoek gegaan naar een hotel, en na een kwartier stond ik dan in een kamer met gigantisch tweepersoonsbed, heerlijke douche, complimentary condooms en een goktafel. Het was een business hotel, waar alle kamers ook per uur te huur waren. Een ervaring op zich. Ach ja. Schouders ophalen, en even later kon ik wel om alle gebeurtenissen lachen. Welcome to China.

De ochtend erop rond een uur of negen ging ik dus met de bus naar Kunming, zo’n 450km en 7-9 verderop. ‘s Avonds kwam ik dan uiteindelijk in een hostel aan (alle busstations  zijn buiten het centrum om vervuiling en congestion te voorkomen, met als resultaat dat je vanaf de East Bus Station, bijvoorbeeld, nog dik een uur in de bus zit voordat je in het centrum bent). Dit hostel, Kunming Cloudland, is net als Explorer’s in Kuala Lumpur, Niras in Bangkok en A Little Bird in Chiang Mai, een beetje thuis geworden. Ik ben er uiteindelijk meer dan een week geweest, een keer teruggeweest en moet om logistieke redenen nog een keer terug… geen probleem eigenlijk 😉

Enfin. Kunming. Kunming is voor Chinese begrippen niet eens een extreem grote stad (Greater Kunming heeft zo’n 6 miljoen mensen), en staat ook bekend als een van de meest relaxte steden in heel China. En dat is ook echt zo. Is er veel te doen, vanuit toeristisch oogpunt? Niet per se, je kunt makkelijk binnen 3 dagen alle toeristische attracties gezien hebben. Maar de mensen zijn aardig, het eten is lekker, de temperatuur is prima (wel veel kouder dan bijvoorbeeld Thailand, maar met overdag twintig a vijfentwintig graden in de zon is het met een vest meer dan prima te doen) en de hele stad lijkt rust uit te stralen. Een aantal Nederlanders die ik had ontmoet hadden als stelling dat Kunming tot zover de enige stad in China was waar ze zichzelf echt zouden kunnen zien wonen. Yes, I like Kunming.

(Nog een reden waarom ik Kunming misschien onbewust leuk vind: ik heb hier te horen gekregen dat ik in Londen ben aangenomen voor Japans. Londen, de plek waar ik vorig jaar vijf keer ben afgewezen, de plek met een van de beste Japans programmas ter wereld, en de plek waar ik dus al anderhalf jaar met bloed, zweet en tranen voor heb proberen te vechten. I GOT IN! En in september verhuis ik dus naar Londen! 🙂 )

Een van de eerste paar dagen in Kunming ben ik met de beforementioned Nederlanders (drie in totaal) en een Amerikaan naar een buurt gegaan die schijnbaar nog in de oude stijl behouden was gebleven. De Chinese regering is erg goed in alles wat oud en historisch is te bulldozeren, met als resultaat dat bijna alle Chinese steden op elkaar lijken en het iconische beeld van China met allerlei kleine shophouses en tradiotionele gebouwen vaak niet lijkt te bestaan. Blijkbaar in de wijk waar wij naartoe gingen wel. Tenminste, dat beweerde de Lonely Planet uit 2009. “Neem deze bus, stap hier uit, en volg dan de ezeltjes, zo kun je het niet missen. Het is een rustig, goedbewaard deel wat je inzicht geeft in het oude Kunming.” Klonk goed. Eenmaal aangekomen bleken de oude huizen in een toeristische attractie langs de snelweg veranderd te zijn, er overal Chinese toeristen rond te lopen en de ezeltjes veranderd te zijn in een maaltijd. China groeit en verandert snel, heel snel. Het was desondanks best grappig, en uiteindelijk hebben we toch nog een paar straatjes gevonden zonder toeristen waar mensen echt woonden. Na een uur of wat hebben we maar de terugtocht aanvaard, en in de bus heb ik me vermaakt met alle verschillende haarstijlen van de Chinese jongens te bekijken. Codewords: hoog, bol, semi-punk en vaak half-geblondeerd, wat altijd net niet helemaal lijkt te lukken. Het Nederlandse koppel had er dan ook een naam voor verzonnen: de chrysantenboys, omdat hun kapsels qua vorm erg op chrysanten lijken. Ik ben benieuwd hoeveel van deze jongens ik nog ga zien…

Ik had, na een aantal weken nauwelijks moderne kunst gezien te hebben, toch wel zin om naar een museum of galerie te gaan. Na de Lonely Planet (de nieuwe ditmaal) geraadpleegd te hebben, ben ik naar Loft 101 gegaan, een adres waar twee galeries (waarvan eentje een Scandinavisch tintje had…) en een aantal restaurants te vinden zijn. De galeries waren best leuk, en toen ik naar buiten wilde lopen, werd ik aangesproken door een Chinese vrouw die daar werkte. Er zou zaterdag een concert zijn, volgens haar een fusie tussen Westerse muziek en Chinese folk-music. Klonk interessant. Het was inmiddels woensdag. Misschien, zei ik tegen haar. Toen ik terugkwam in het hostel heb ik besloten om gewoon te blijven tot het concert, omdat Kunming een prima plek is om rond te hangen en ik eigenlijk best geinteresseerd was in hoe het concert zou uitpakken.

Een aantal dagen vol met lekker eten later(er is een geweldige markt twee minuten van het hostel, waar ze allerlei soorten vlees, brood, groente, fruit en what not verkopen. En goedkoop 🙂 ), was het zaterdag. Het concert was anders dan ik had verwacht: iedereen zat, en de Westerse invloed bleek de Zweedse pianist te zijn. Het was echte Chinese volksmuziek, en werd gespeeld door een man, zijn vrouw en zijn bejaarde vader. Wat erg leuk was, was dat ze allerlei verschillende instrumenten gebruikten. Zo speelde de man op een gegeven moment op een bamboe ‘fluit’, die uit niets meer dan een bamboestok met twee open uiteinden en een klein gaatje in het midden bestond. Na een uurtje vond ik het echter wel mooi geweest, en ben ik weggegaan. ‘s Avonds uit, en de volgende dag een druk uitkater schema gehad.

Wat ook erg opvallend was, was het aantal fietsers in het hostel. Tijdens mijn reis was ik tot dan toe twee fietsers tegengekomen, en een iemand die door Zuid-Oost Azie aan het lopen was. In Kunming kwam er bijna elke dag wel weer een fietser binnen. En dan bedoel ik niet “goh we fietsen even een stukje en dan nemen we de trein” fietsers, nee, mensen die letterlijk vanuit respectievelijk Schotland, Duitsland, Italie, Zwitserland en Nederland allemaal dwars door Europa en Azie naar Kunming gefietst hebben. Meer dan 10 000km. Stuk voor stuk klinken ze als geweldige reizen, en ik zit er dan ook over te denken om in the future zelf zoiets te doen. Of ik er fysiek klaar voor ben, is een tweede.

Na meer dan een week in Kunming rondgehangen te hebben, besloot ik toch maar naar de rijstterrassen in Yuanyang, relatief dichtbij de grens met Vietnam, te gaan. Toen ik de bus in wilde stappen riep iemand opeens m’n naam: het bleek Hanne, een Finse vrouw die ik ook in Kunming had ontmoet, te zijn. Zij ging ook naar Yuanyang, wel zo gezellig om dan samen te reizen. Zo had ik opeens een reispartner voor de komende twee dagen, en ik heb met Hanne een geweldige wandeling gemaakt langs en door de rijstterrassen. Yuanyang, en alle dorpjes eromheen, is prachtig, ik verwijs naar de foto’s. Screw Sapa, Yuanyang in de winter met alle ondergelopen terrassen is the place to be.

Na twee nachten ben ik teruggegaan naar Kunming (via een kleine omweg; de bus was vol, dus ik werd naar een plaats 2 uur ten oosten van Xinjie/Yuanyang gestuurd om vanaf daar de bus naar Kunming te nemen. Reistijd: 11 uur ipv 8.), en is Hanne richting Xishuangbanna, het subtropische zuidwesten, gegaan. Ik was erg blij om weer in Kunming te zijn, ik had het toch wel gemist. Helaas ben ik de dag erop een beetje ziek geworden, en heb ik een volledige dag in bed doorgebracht. Via de receptie heb ik toen een treinkaartje naar Dali, een toeristisch, oud stadje, geregeld voor de volgende avond. Toen dus gedag gezegd tegen alle mensen die ik daar nog kende, en die er waarschijnlijk nog zullen zijn als ik terugben: een Chinese jongen, een Amerikaanse die nu al 6 maanden in het hostel woont om Chinees te leren, een Finse jongen die langzaam maar zeker minder begint te drinken (toen ik hem voor het eerst ontmoette, dronk hij elke dag in z’n eentje minstens een fles alcohol, verwant aan de zooi die ik in Sapa kreeg. Kosten? 7 kuai, oftewel 85 eurocent voor een hele fles.), en een Schotse fietser die al een maand wat ziekig vastzit in Kunming. Travelling brings together an eclectic group of people. Dag Kunming. I’ll be back.

Nu ben ik dus in Dali, waar ik de afgelopen twee dagen elke dag minstens vijf uur heb besteed aan foto’s uploaden en schrijven. Gewoon, omdat ik achterliep, en omdat WordPress geblokt is in China. Dit hostel wordt door een Australier en zijn Chinese vrouw gerund, en daarom hebben ze allerlei handigheden geinstalleerd waardoor sites zoals Facebook en WordPress wel gewoon geopend kunnen worden. Wanneer ik dat weer heb, weet ik niet, en daarom maak ik maar goed gebruik van deze faciliteiten.

9 april ben ik in Hong Kong te vinden, aangezien vadertjelief er dan ook is. Voor die tijd is het plan Dali – Tiger Leaping Gorge – Shangri La (Zhongdian), en daarna moet ik terug naar Kunming om de trein naar Guilin te kunnen nemen. Behoorlijke afstanden, maar China is nou eenmaal een groot land. Tibet gaat ‘m waarschijnlijk niet meer worden deze reis: te veel logistieke problemen, het gaat me handenvol geld kosten en eigenlijk heb ik er niet genoeg tijd voor… andere keer dan maar.

Zoals gezegd, een extreem lang verhaal. Rond de 9200 woorden. Ik hoop dat je er doorheen bent gekomen, en dat er ook maar iets van te snappen viel.

Zaijian!

Advertisements

Tagged: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

§ One Response to The mammoth story: Thailand, Cambodia, Vietnam, China

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

What’s this?

You are currently reading The mammoth story: Thailand, Cambodia, Vietnam, China at Lost in Asia.

meta

%d bloggers like this: