The finale

August 13, 2012 § Leave a comment

Mijn reis in getallen:

3 vluchten

9 landen

10 verschillende currencies

229 (+1) dagen

1800+ foto’s (zelfs na het uitzoeken… ongeveer een kwart ervan heeft op de blog gestaan)

Ongelofelijke hoeveelheden treinen, fietsen, bussen, scooters, tuktuks, lekker eten, en mensen. Voornamelijk heel veel mensen. En af en toe juist de enorme afwezigheid van mensen (die ik kende).

En inmiddels ben ik al meer dan twee maanden terug, en is de datum die boven de laatste geschreven update prijkt toch echt 27 maart…

Dus, een short recap. De laatste keer was ik in Dali en had ik eindelijk een computer met een firewall-omzeilend programma (if anyone is interested…) en heb ik twee dagen lang redelijk wat uren foto’s geupload en als een idioot geschreven. Hetzelfde is nu weer aan de gang, met als verschil dat ik nu in Rotterdam zit en niet aan één stuk door aan het schrijven ben.

Enfin. In Dali ben ik nog een paar dagen gebleven, en heb ik relatief sportief gedaan. Een bergwandeling met een Engelse – filosofische gesprekken incluus, een fietstocht langs Erhai (ear-shaped) Lake met een Chinees-Canadese, een Yunnanese/Sichuanese kookcursus (oke, niet sportief, maar…. fish flavoured eggplant anyone?)… Na al die activiteit werd het toch tijd om verder te trekken. Met het Chinees-Canadese meisje had ik afgesproken om samen de Tiger Leaping Gorge trek te doen, dus ik zou haar een aantal dagen later weer in Qiaotou treffen. In de tussentijd ging ik naar Zhongdian, beter bekend als Shangri La. Shangri La is een verzonnen plek uit het boek Lost Horizon van James Hilton – een vallei waar iedereen extreem oud kan worden. In het boek wordt beschreven dat Shangri La op het Tibetaanse plateau ligt, en bereikt kan worden door ‘vele maanden zuidwest te reizen vanuit Peking, voorbij de plaats waar de theehandelaren hun waar verhandelen’. Dit, gecombineerd met het feit dat een dichtbijzijnde berg toch wel erg veel lijkt op een berg die in het boek wordt beschreven, heeft ervoor gezorgd dat de Chinese overheid Zhongdian en het nabije Deqin Prefecture gebombardeerd heeft tot Shangri La. (Dat er eigenlijk maar één Shangri La kan zijn, lijkt de Chinezen niet te deren – een plaats dichtbij Guilin, in het zuiden van China, wordt ook als Shangri La geadverteerd.) Oftewel, dit eens slaperige dorpje in het uiterst noordelijke puntje van Yunnan Province werd omgetoverd in een toeristische attractie, mét (nagebouwd) historisch stadscentrum.

Wat Zhongdian wel interessant maakt, is de Tibetaanse cultuur die hier volop aanwezig is. Overal hangen gebedsvlaggetjes, en het grootste klooster uit de regio (ongeveer 600 monniken wonen hier) staat net buiten het stadje. Maar wat mij voornamelijk opviel, was dat het koud was. Mijn god, wat was het koud. Zhongdian ligt namelijk op 3300m, en als je daar zo rond eind maart bent, vriest het toch echt bijna ‘s avonds en ‘s nachts, en overdag is het maximaal een graad of 8 – in de zon. Ik heb dan ook ongeveer alle kleren die ik op dat moment bezat over elkaar aangetrokken zodra ik naar buiten ging, dikke skisokken en bergschoenen incluus. Thank you mom, for bringing them in Laos. Ook heb ik goeie vrienden gemaakt met de bediening van een bepaald Tibetaans restaurant door elke dag een uur of twee daar proberen op te warmen onder het genot van Indiase chai en Tibetaanse hotpot en een boek. (Eén medewerker vond dan ook, nadat zijn neefje vrolijk door het restaurant was gerend en mijn opmerking ‘Aziatische kinderen zijn niet zo vervelend als Westerse’, dat ik maar een Aziatische man moest nemen en naar Zhongdian moest verhuizen.) Ik kan yak-hotpot inmiddels erg aanraden, en zo ook momo’s, Tibetaanse dumplings.

De Tibetaanse cultuur dus. Zoals met alles wat enigszins cultureel is in China, heeft de overheid besloten dat Ganden Sumtseling Gompa (Songzanlin klooster) een ‘scenic spot’ is, en daarom moet je er een exorbitant bedrag voor betalen – 85 yuan, oftewel ongeveer een tientje. Klinkt misschien niet als veel, maar als a) dat een derde van je dagbudget is en b) je hoort dat de prijs binnen twee jaar met 150% is gestegen tot het huidige niveau, is dat toch een beetje jammer. Heel fijn dus om te horen dat een Sloveen uit mijn hostel erachter was gekomen dat je makkelijk om de ingang heen kon lopen en zo dus de ticketoffice en controleurs ‘per ongeluk’ voorbij liep. Zo gezegd, zo gedaan, en na een korte wandeling zag ik dan het klooster liggen op de heuvel. Mijn god. Ik was vergeten hoe anders Tibetaanse Buddhistische cultuur is dan de Chinese Buddhistische, en dan voornamelijk qua architectuur. Ik geloof dat ik toch meer naar de Tibetaanse vorm neig. Hoe ‘authentiek’ het klooster is weet ik niet, en stiekem kon het me erg weinig schelen – dit was waarschijnlijk het dichtst bij ‘Tibet proper’ dat ik zou komen op mijn reis. Verder blijft het grappig om monniken als bouwvakker te zien (het klooster wordt al jarenlang gerenoveerd), en als eigenaren van mobiele telefoons en dure auto’s. Mijn camera is in ieder geval erg goed gebruikt in die twee uur dat ik daar heb rondgewandeld. Het echt beschrijven van de architectuur kan ik eigenlijk niet, ik verwijs dan ook naar de kleine selectie foto’s hier.

Na drie dagen mijn lichaamsgewicht in chai en Chinese thee gedronken te hebben, werd het tijd om naar de Tiger Leaping Gorge te gaan. Deze bergkloof heeft zijn naam te danken aan een Chinese legende – schijnbaar heeft een tijger van de ene naar de andere kant van de river gesprongen. De grootste toeristische attractie is dan ook de Tiger Leaping Stone, oftewel een gigantisch rotsblok in de rivier waarop en waarvandaan de tijger gesprongen zou hebben. Leuk detail is dan wel, om de mythe nog meer credibility te geven, dat er welgeteld drie Tiger Leaping Stones zijn… Maar daar gaat het verder niet om. De Tiger Leaping Gorge (of, zoals een Nederlandse jongen in Kunming het adverteerde: de GORGE) staat voornamelijk bekend om de spectaculaire wandeling die je er kunt maken, in één of twee dagen. Vroeger was de lage route langs de rivier erg populair, maar dat is inmiddels allemaal asfalt geworden en dé route voor de Chinese toerbussen om de Tiger Leaping Stone(s) te laten zien. De wandelroute is nu dan ook de hoge route, waarbij het hoogste punt op zo’n 2660m ligt. Zoals eerder vermeld zou ik dit met een ander meisje gaan doen en daarmee had ik dan ook de avond van tevoren in Qiaotou, het dorpje bij het begin van de route, afgesproken. (Helaas was Qiaotou niet de eindbestemming van de bus waar ik in zat. Ik had dus iets te laat door dat we al in Qiaotou gestopt waren. Ik riep snel naar de buschauffeur “Qiaotou ma?”, waarop hij de bus afremde, me chagrijnig aankeek en met z’n duim naar achter wees. Kilometer teruglopen, jongedame. Kan gebeuren.) In het guesthouse bleek er maar één iemand anders te zijn – een fortysomething Nederlander. We hadden daarom besloten om de trek met zijn drieën te doen. Uiteindelijk was dat maar beter ook, want de volgende dag is het meisje na twee uur teruggegaan omdat ze bang was om hoogteziekte te krijgen. Zo hoefde ik in ieder geval niet de hele tijd alleen te wandelen. De gorge was inderdaad prachtig – ik verwijs weer naar de foto’s hier. Na een uur of zes hielden we het voor gezien en zijn we neergestreken in Halfway House, het guesthouse waar bijna iedereen na dag één stopt. De zon achter de bergen zien verdwijnen, het uitzicht bewonderd vanaf de toiletten met scenic view, wat gegeten en daarna snel naar bed: een dag in de bergen hakt er altijd hard in.

De volgende ochtend zijn we weer verder gegaan. De afdaling zou twee uur moeten duren en als je weer bij de weg was, zou je verder kunnen lopen naar Walnut Garden. Uiteindelijk bleek het, zelfs met mijn langzame afdaaltempo (zwakke knieën blijven geweldig voor je zelfvertrouwen) maar net iets meer dan een uur te zijn, en zo stonden we rond tien uur alweer op het asfalt. Hier heb ik besloten om terug te gaan naar Kunming – ik miste het toch een beetje, en ook waren mijn voeten stiekem nog steeds moe van de dag ervoor. Afscheid genomen van de Nederlander, die wel doorgelopen is, en na even te moeten wachten met de bus via Qiaotou (waar mijn backpack lag) naar Lijiang, waar ik een trein naar Kunming wilde nemen. Na veel in de file te hebben gestaan en een ontzettend gehannes om het treinstation in Lijiang te vinden, had ik dan een kaartje voor de nachttrein. Zo bevond ik me onverwacht toch nog een aantal uur in Lijiang, een ‘traditioneel’ plaatsje wat ik eigenlijk had vermeden omdat ik hoorde dat het (een beetje neppig) was nagebouwd en daarom was verzwolgen door Chinese toeristen. Enfin. Mijn voornaamste bezigheden in Lijiang waren dan ook douchen (na weet ik hoeveel uren wandelen en bussen was dat toch wel nodig, thank you Lijiang International Youth Hostel for letting me use your shower! En natuurlijk kwam ik prompt ook weer iemand tegen die ik uit Kunming kende), iets eten, en alle Chinese toeristen die op irritante momenten blijven stilstaan ontwijken. Na een uur of drie werd het tijd om naar de trein te gaan, en ik geloof dat die vijf uur die ik in totaal in Lijiang (zowel historisch en omgeving van) gespendeerd heb wel genoeg waren.

De volgende ochtend vroeg stond ik dan alweer bij het treinstation in Kunming, waar ik gelijk een kaartje naar Guilin heb gekocht voor de volgende avond. Voor me in de rij stond een Amerikaan die in Shenzhen bleek te wonen en ook richting Guilin ging de volgende dag, met zijn Nederlandse vriendin. Ik heb ze toen meegenomen naar Cloudland (hostel), en daar hebben we besloten om tot aan Yangshuo samen te reizen. Die laatste anderhalve dag in Kunming heb ik gevuld met nuttige dingen zoals de was doen, wat nieuwe kleren kopen aangezien ik wat kwijtgeraakt was onderweg, en voornamelijk weer even alle lekkere dingen eten die ik nu met Kunming associeer (met rijstnoedels en bosuitjes gevulde pitabroodjes, dumplings, handgemaakte noedels, barbecue pork…). Het eten kopen deed ik voornamelijk op de markt, en aangezien ik sowieso een van de weinige buitenlanders op die markt was, en dan ook nog eens echt iets kocht, trok ik elke dag veel bekijks. De kraam met gevulde pitabroodjes was favoriet, en de eigenaren waren wel zo blij met me en vonden me wel zo bijzonder dat ik vervolgens met iedereen van de kraam, met deeghanden en al, op de foto moest. Snel zelf nog een foto genomen van de moeder die vol trots naast haar kraampje poseerde, en daarna met een zak vol eten afscheid genomen. Food brings people together.

Die avond heb ik dan voor de laatste keer afscheid genomen van Kunming Cloudland Hostel en alle kennissen daar, en toog ik samen met de Amerikaan en de Nederlandse, richting station. Met bus 64. Laten we het erop houden dat ik die avond weer heb bewezen dat bussen en ik elkaar niet helemaal liggen, want op de een of andere manier hebben we bus 64 genomen die de verkeerde kant uitging. Gelukkig waren we relatief ruim vantevoren weggegaan, maar het is toch jammer als je opeens aan de noordkant van Kunming staat, terwijl het treinstation redelijk in het zuiden is en je hebt nog ongeveer 30 minuten om daar te komen… in de spits. Het is uiteindelijk allemaal goedgekomen, en tien minuten voordat de trein vertrok stonden we in de vertrekhal. Op naar Guilin/Yangshuo!

Guilin is zo’n 18 uur met de trein vanuit Kunming, en staat bekend om alle karstformaties die middenin het landschap (en de stad) staan. Guilin zelf is echt een stad, en heeft daarom ook een redelijk station, maar wij hadden besloten om naar Yangshuo te gaan, een kleiner plaatsje (zeg maar gerust een toeristendorp) zo’n anderhalf uur met de bus vanaf Guilin station. Er was echter wel een kleine maar: aangezien er in Yangshuo geen treinstation is, wordt het kopen van treinkaartjes dus ook wat lastiger. En Guilin heeft twee treinstations, Guilin Bei (Guilin Noord) en Guilin. De reden dat ik überhaupt naar Guilin was afgetogen was niet alleen omdat het mooi zou zijn, maar ook zodat ik de gigantische reis richting Hong Kong (waar ik op 9 april met vaders had afgesproken) in twee keer zou kunnen doen. (Ik heb het net weer opgezocht – eigenlijk viel het wel mee. Maximaal 27 uur naar Guangzhou. Maargoed.) Daardoor was het vrij cruciaal dat ik op 8 april met de nachttrein naar Shenzhen kon, zodat ik ‘s ochtends de grens over kon (het treinstation van Shenzhen is vrij letterlijk op de grens. Voor de Amerikaan en z’n vriendin gold dat hij in Shenzhen woont en haar de stad wilde laten zien, aangezien ze een paar dagen later uit China moest vertrekken.) De trein naar Shenzhen zou schijnbaar vanaf Guilin Bei vertrekken, dus wij zijn dan ook alledrie daar uitgestapt om de kaartjes te regelen. Dat bleek nog niet zo makkelijk te zijn, aangezien er een public holiday aan zat te komen, waardoor alle bedden uitverkocht waren. Snel dus maar een van de laatste kaartjes gekocht voor een van de seat klassen, kaartje weggestopt, en uiteindelijk per taxi toch maar naar het centrum van Guilin gegaan, want vanaf Guilin Bei gingen geen bussen naar Yangshuo…

Zeer gedesoriënteerd liepen we dan in de motregen door Guilin, op zoek naar het busstation. Op een gegeven moment zagen we een andere niet-Chinees rondlopen, die wel leek te weten waar hij naartoe liep. Het bleek een Roemeen te zijn die al een paar maanden in Yangshuo woonde, en hij heeft ons dan ook geholpen met buskaartjes kopen. Ondertussen vertelde hij dat hij een rockclimbing instructeur was, en dat Yangshuo echt een soort mecca is voor die sport. Daarnaast kluste hij in de avonduren bij als barman en zanger in een van de bars die Yangshuo rijk is, en had het klimbedrijf waar hij werkte ook nog een hostel. Zo ben ik dus in de Climber’s Inn terecht gekomen, een hostel waar alleen maar klimfanaten verblijven voor een langere tijd. En ik dan, voor twee nachten. Na iedereen die ik daar ontmoet heb uitgelegd te hebben dat ik toch echt niet voor het klimmen kwam, bleken het nog steeds best gezellige mensen te zijn. En met een goeie boekensmaak. Ik heb m’n boeken voor het eerst weer kunnen omruilen voor boeken die ik al een tijdje wilde lezen!

Helaas heb ik het in Yangshuo niet geweldig naar m’n zin gehad, en dit kwam voornamelijk door het weer. Persoonlijk vind ik het wel prettig als je ergens naartoe gaat waar de voornaamste (en eigenlijk enige) attractie buiten is, het weer dan ook enigszins te pruimen is. Of dat het in ieder geval niet non-stop regent. Helaas was dat me niet gegund in Yangshuo, want van de 2,5 dag die ik daar en in de omgeving heb doorgebracht, heeft het bijna alleen maar geregend, waardoor de temperatuur ook daalde. Niet handig als het plan was om daar naartoe te gaan om te gaan fietsen. Ik heb me dan maar geprobeerd te vermaken door als het dan eventjes droog was het dorp een beetje te verkennen, maar ik heb het grootste gedeelte van de twee dagen toch echt in verscheidene cafés doorgebracht met liters thee en dumplings. Zo rond vijf uur ‘s middags op de eerste volledige dag (de echte eerste dag was ik rond 4 uur ‘s middags pas aangekomen) was ik het wachten zat, en heb ik koppig, toen het vijf minuten even droog was, een fiets gehuurd en ben ik vrolijk op de zeiknatte wegen gaan rondfietsen. Natuurlijk begon het binnen twintig minuten weer te regenen, maar ik wilde gewoon doorzetten. Na ongeveer een uur zeiknat geregend te zijn en wél de karstformaties in de “weilanden” gezien te hebben (het blijven maffe dingen – je hebt een compleet vlak landschap en dan steekt er opeens weer zo’n limestone geval van 80 meter hoog en minstens 15m in diameter uit de grond) heb ik toch maar de terugtocht aanvaard.

De dag erna regende het nog steeds, en heb ik uit ellende weer doorgebracht in hetzelfde café. Dit was ook de dag dat ik ‘s avonds met de trein naar Shenzhen zou gaan. Dacht ik. Ik haalde m’n kaartje ‘s ochtends tevoorschijn, bekeek het wat beter, en zag tot mijn schrik dat het helemaal geen kaartje met een stoelnummer was, maar een standing ticket – oftewel, er staat een coupe op het kaartje die eigenlijk vol zit, en dan moet je dus staan of ergens in de gang gaan zitten op je tas. De trein naar Shenzhen is 13 uur. Slik. Ik ben daarom maar op zoek gegaan naar een reisbureau om te kijken of ik m’n ticket kon omruilen, of in ieder geval een buskaartje kon kopen. Zo botste ik ook bijna tegen het stel waarmee ik de trein had genomen op. Zij waren er ook net achter gekomen, en waren naar mij op zoek gegaan om te kijken of ik het wel wist. Ze hadden een busticket naar Shenzhen weten te bemachtigen, maar wisten me te vertellen dat zij ongeveer de laatste kaarten hadden… Uiteindelijk heb ik dan, na veel gevraag en gebel, een buskaartje naar Guangzhou kunnen kopen die diezelfde avond zou vertrekken. Toen weer de rest van de dag een boek gelezen en als het niet regende wat rondgelopen, en ‘s avonds kon ik dan eindelijk uit Yangshuo weg. Na een heel gehannes om de goede bus te vinden (opstopping bij de ingang van het busparkeerterrein) en het bemachtigen van een plaats (de bus zat overvol, dus alle bedden waren bezet, maar buitenlanders hadden schijnbaar meer betaald voor een bed en/of werden belangrijker gevonden, dus werden prompt allerlei Chinezen uit hun bed gelicht), gingen we dan op weg naar Guangzhou. Ik was alleen vergeten dat de reis ernaartoe per bus a) korter was dan die naar Shenzhen, en b) sneller was dan met de trein. Ik stond dus om half vier ‘s nachts al in Guangzhou… en de meeste bussen en treinen vertrekken toch echt pas vanaf een uur of 6. Wat brak ben ik toen richting één van de treinstations getogen, die om 5 uur ‘s ochtends open bleek te gaan. Zo ben ik dan voor het eerst op deze reis in een McDonalds terecht gekomen, aangezien die wel 24 uur per dag open zijn. Nu weet ik dus ook dat het ontbijt pas vanaf zes uur ‘s ochtends geserveerd wordt.

Iets na vijven gingen de rolluiken van het station dan open. Een half uur later ging het loket open, en twee uur nadat ik in Guangzhou was aangekomen had ik een kaartje naar Shenzhen. Weer een uur en een kwartier later stond ik dan 140km verderop in Shenzhen en kon ik de grens over. De grens zelf bevindt zich in een soort shopping centre van weet-ik-het-hoeveel verdiepingen, waar dan onderin, aan de HK zijde, de trein zich bevindt. Na nog een trein en en twee verschillende metro’s stond ik dan eindelijk op de plaats van bestemming: hello, Hong Kong! Maar voornamelijk hallo vader!

Zo zag ik dan na bijna 6 maanden voor het eerst mijn vader weer, wat toch wel erg leuk was. (Zijn reactie: god, wat ben je hyper.) Extra bonus van ouderlijk weerzien: heerlijke hotels met geweldige bedden – er is niks luxuezer dan een dik matras na lang op een matrasje van maximaal 2cm dik te hebben geslapen. (Die slapen overigens ook prima, maar decadence is toch wel erg lekker zo af en toe.) Na eerst weer even aan elkaar gewend te zijn, werd ik door vaders rondgeleid door Kowloon. Hij was al vaker in Hong Kong geweest, maar dan voornamelijk voor zijn werk, dus bepaalde dingen waren ook voor hem een first, of minstens 20 jaar geleden. De 82 uur samen hebben we verder besteed aan de Victoria Peak oplopen, fietsen in Sha Tin, naar Lamma Island gaan, de roltrap nemen bij de Midlevels (ja de roltrap. Beter gezegd een roltrappenstelsel. Buiten. 800 meter lang.), een experimenteel drankje doen in het Peninsula Hotel met uitzicht op de lichtshow van Hong Kong Island, meerdere malen de Star Ferry nemen en heel veel lopen en eten. Waaronder een steak (wat ik al een half jaar niet meer had gegeten) en geweldige dim sum. Hong Kong staat bekend als een foodie stad, en op dat gebied heeft het zeker zijn reputatie waargemaakt. Ik heb in ieder geval erg lekker gegeten!

Na die 82 uur (door vaderlief omschreven als 80 uur, aangezien ik de laatste dag twee uur niet een opperbest humeur had. Komt ervan, als je niet meer gewend bent om 24 uur per dag met één iemand samen te leven) werd het dan helaas tijd om afscheid te nemen. Na paps op de shuttle naar het vliegveld gezet te hebben, ben ik van adres verhuisd. Een Schot die ik nog uit Chiang Mai kende was namelijk een tijdje ervoor naar Hong Kong verhuisd, en daar kon ik blijven slapen. Zo heb ik uiteindelijk toch nog bijna een week in Hong Kong (ditmaal op Hong Kong Island) besteed, met veel rondlopen, eten, foto’s maken en af en toe uitgaan. Verder was het ook gewoon gezellig om weer eens iemand te zien die ik nog uit een ander land kende. Hong Kong staat bekend als prijzig, en qua accommodatie klopt dat ook wel. Maar wat er voornamelijk duur is, zijn de drankprijzen, en al helemaal in de uitgaansgebieden. Hallo 8+ euro voor een biertje. De gemiddelde buitenlander die uitgaat in Lan Kwai Fon kijkt dan ook niet op als er weer minstens 100, 150 euro aan drank alleen op is gegaan op een avond. Dág budget…

Alhoewel ik Hong Kong een leuke stad vond, had ik er wel iets meer van verwacht. Veel mensen die ik heb ontmoet vonden Hong Kong echt geweldig, en zeiden – aangezien ik Bangkok en Kuala Lumpur, en grote steden in general leuk vind – dat ik waarschijnlijk dezelfde mening zou delen. Na anderhalve week in Hong Kong geweest te zijn, kan ik dat niet helemaal. Om de een of andere reden geeft de stad me geen adrenalinekick, wat toch wel het gevoel is wat ik heb bij steden die ik fantastisch vind. Hong Kong: leuke stad, lekker eten, leuke mensen, waarschijnlijk een makkelijke Aziatische stad om te wonen (nog zoiets geks – opeens sprak bijna iedereen weer Engels!), maar niet per se dé stad voor mij.

Toen werd het weer tijd om weer mainland China in te trekken. Weer op dezelfde manier de grens overgestoken, en in Shenzhen op zoek gegaan naar het treinkaartjesloket. Kon ik niet vinden. Tenminste, het ‘normale’ kaartjesloket. Waarschijnlijk kwam het omdat Shenzhen twee treinstations heeft – één voor hogesnelheidstreinen, en één voor normale, langzamere treinen. Zo ben ik dus weer in Guangzhou terecht gekomen, waar ik op de valreep (4 uur voordat de trein zou vertrekken) een kaartje – soft sleeper, bottom bunk – heb kunnen kopen voor de trein naar Chengdu, helemaal in het westen van China. Verwachte reistijd: 40 uur. Die vier uur heb ik dan ook besteed aan het inslaan van eten (2 avonden, een volle dag en een ochtend alleen instant ramen eten zag ik niet helemaal zitten) en de ‘prachtige’ omgeving van Guangzhou Dong trainstation verkend te hebben. Om half zes ‘s avonds klonk het fluitsignaal dan eindelijk, en kon mijn – zeer langzame – reis naar Chengdu beginnen. Het enige wat ik er eigenlijk over kan zeggen is dat het lang was. Heel lang. Ik heb in ieder geval een goed beeld gekregen van hoe groot China inderdaad is. Tip: neem een goed boek mee, maar voornamelijk een reisgenoot. Op een gegeven moment wordt het in je eentje toch wel erg saai, zeker als je zo’n 12 uur alle vier de bedden in de coupé voor jezelf hebt.

Een nacht, een dag, nog een nacht en een halve ochtend later stond ik dan in Chengdu. Ook Chengdu is een plek die toe kan voegen aan het lijstje “blijven plakken” – in de twee weken dat ik er ben geweest ben ik welgeteld tweemaal de stad uitgeweest. Grotendeels kwam dit door Sim’s Cozy Garden Hostel: hier heb ik weer een bonte verzameling mensen ontmoet, maar voornamelijk ook vrienden gemaakt met het (Chinese) barpersoneel. Het resultaat was dat ik op een gegeven moment nauwelijks het hostel meer uitkwam, en dat ik aan één van de meisjes Nederlandse les heb gegeven (ze had ook een tattoo met “Ik hou van jou” op haar schouder staan. Ja, in het Nederlands), en dat ik, in een moment van verveling en een drang naar een espresso martini, achter de bar ben gaan staan en dat enkele avonden ben blijven doen. Het was in ieder geval erg gezellig, en toen ik twee weken later afscheid nam was dat ook echt met pijn in m’n hart. Na 6 maanden feitelijk niks gedaan te hebben en niet een vaste basis te hebben, was het erg fijn om even, al was het maar een paar dagen, weer een soort routine te hebben, mensen die niet weggingen incluus.

De eerste paar dagen heb ik Chengdu voornamelijk per fiets verkend, en ben ik zoals gewoonlijk een aantal keer vrolijk de verkeerde richting opgefietst. Zo ook richting de kleine Tibetaanse wijk, waar vlakbij ook een nagebouwd wijkje is met allerlei ‘traditionele’ Sichuanese optredens, prullaria en etenswaren. Xiao chi (小吃 , klein eten) is typisch Sichuanees: in plaats van grote porties krijg je (verspreid over de dag) allerlei hapjes. En het voordeel van (Chinese) toeristische attracties is dat eten vrij vaak een rol speelt. Hallo straat vol met stalletjes met lekkere hapjes. Heerlijk snackend op dumplings, spicy kebabs en nog veel meer lekkers heb ik de Tibetaanse wijk verkend: veel winkeltjes met Tibetaanse spullen en heel wat monniken in donkerrode gewaden passeerden de revu. Verder ziet de wijk er, zoals een goede Chinese stad betaamt, vrij Chinees uit…

Nog een eten-gerelateerde opmerking: waar Sichuan ook bekend om staat, is de Sichuan peppercorn. Deze peperkorrels zijn, net als Thaise pepers, vrij pittig, maar ze hebben nog een extraatje: je mond wordt er tijdelijk door verlamd. In het geval van veel peppercorns (die over het algemeen gewoon meegebakken worden) voel je je mond ineens tintelen, en langzaamaan voelt voornamelijk je tong een beetje verlamd… Een sensatie waar ik in ieder geval even aan heb moeten wennen, maar voornamelijk in een hotpot en de dipsaus van spicy dumplings is het erg lekker!

Intussen was ik een beetje aan het bedenken wat ik allemaal nog meer in Sichuan Province wilde zien. Vlakbij Chengdu ligt Leshan, wat bekend is geworden door het 71-meter-hoge Buddhabeeld dat er staat. Na eindelijk de motivatie te hebben kunnen vinden om met een tour via Sim’s mee te gaan (en weer eens de lichten uitdoen in de bar en de zon zien opkomen), stond ik om 7 uur ‘s ochtends slaperig in de startblokken om met vier anderen de grootste (tenminste, hoogste, al helemaal sinds de Taliban de twee Buddhas in Bamiyan, Afghanistan hebben opgeblazen) Buddha van de wereld te aanschouwen. En groot is hij inderdaad. Zijn oor alleen al is 7 meter. Om deze reus beter te kunnen bekijken, is er een smal trappenstelsel op/in de berg gemaakt. En op goede Chinese wijze wordt er ook op deze trap geduwd, getrokken, voorgedrongen en gespuugd. Behalve als je een lang, blonde laowai bent, dan durven ze toch een stuk minder. Opvallen heeft best wat voordelen in Azië. Eenmaal beneden aangekomen stuitten we op een groepje monniken die de Buddha aan het aanbidden waren, mét digitale camera’s. Snel nog even wat foto’s genomen (ook voor en met de monniken), het park doorgelopen, en hop, weer de auto in terug naar Chengdu. Meer tijd dan die paar uur die we hadden was ook niet echt nodig.

Na nog meer boeken lezen en de etens- en drankselectie van Sim’s weer meerdere malen getest te hebben, werd het dan toch echt tijd om naar dé attractie van Chengdu te gaan: de Giant Panda Breeding Base. Hier worden reuzenpanda’s (je weet wel, die zwart-witte dikke beren wiens dagindeling bestaat uit bamboe eten, uitbuiken, nog meer bamboe eten, nog eens uitbuiken, dutje tussendoor doen, misschien eens van plek veranderen en schattig zijn) en hun verre neven de rode panda’s gefokt in de hoop zo de bedreigde pandapopulatie weer wat op te krikken. Ze hebben er in ieder geval heel wat. Ook hier ben ik weer naartoe gefietst, wat zoals gewoonlijk een belevenis op zich was. China heeft, in tegenstelling tot andere Oost-Aziatische landen, fietspaden. Tenminste, iets wat ervoor door moet gaan, aangezien jan en alleman zich ook op die paden begeeft, eventueel tegen het verkeer in, en deze paden ook nog wel eens bij het begin van een snelweg gewoon stoppen. Zo belandde ik, na eerst drie keer net een afslag te vroeg te hebben genomen, uiteindelijk via wat grote wegen bij het park. En ik moet toegeven, die panda’s blijven toch wel leuk. Zeker de kleintjes, want die hebben om de een of andere gekke reden wél energie. Ze rennen (pardon, hobbelen) als een soort everzwijnen achter elkaar aan, klimmen in bomen en proberen elkaar er dan weer vrolijk uit te duwen. De (nagemaakte) natuur op z’n best, en zeker een bron van vermaak voor een ochtend.

Hoewel ik het ontzettend naar mijn zin had in Chengdu, langzaam maar zeker kwam er toch een keiharde deadline aan: 15 mei zou mijn vlucht van Beijing naar Tokyo zijn. Ik wilde graag een week in Beijing zijn, en voor die tijd ook nog naar Xi’An, Jiuzhaigou en, zo mogelijk, naar het westen van Sichuan. Dat laatste had twee redenen. Ten eerste ligt west-Sichuan in van één van de drie oude provincies van Tibet (Kham, Amdo en Ü-Tsing, de laatste en stukken van de eerste twee zijn wat men nu “Tibet” noemt), waardoor er vrij veel Tibetaanse cultuur aanwezig is. Ten tweede zat er weer een holiday aan te komen, International Labour Day, waardoor de Chinese bevolking meedere dagen vrij krijgt (in theorie) en vaak ook gaat reizen. Het zou dus handig zijn als ik voor die vakantie bijvoorbeeld naar Ganzi zou gaan, om daar een paar dagen door te brengen en daarna naar Chengdu terug te keren. Helaas was het, zoals met zoveel dingen in China (zeker die Tibet-gerelateerd zijn), niet zo makkelijk. In protest tegen de Chinese bezetting (of “presence”) in Tibet zijn er de afgelopen maanden een redelijk aantal zelfverbrandingen geweest, oftewel monniken die zichzelf in brand hebben gestoken. Als resultaat is het heel moeilijk om Tibet proper in te gaan, maar is het dus ook vrij moeilijk om west-Sichuan te verkennen. Het is zelf zo ingewikkeld dat een Japanse jongen in Shangri-La drie weken heeft gewacht voordat hij met de bus vanaf Zhongdian naar Litang mocht… Maar inmiddels was dat alweer een maand geleden, en daarom dacht ik dat het wat makkelijker zou moeten zijn. Mis. De ticketoffice in Chengdu weigerde kaartjes naar Ganzi (geen directe bus) of Kangding (halverwege Ganzi en Chengdu, ik zou even een kaart erbij pakken om te begrijpen waar ik het over heb) te verkopen. Er werd me vervolgens in het hostel verteld dat je in Ya’An, twee uur met de bus van Chengdu vandaan, waarschijnlijk wel een kaartje kon kopen. Ik dus vrolijk in de bus naar Ya’An. Eenmaal aangekomen bleek dat er, zoals wel vaker, maar één bus per dag naar Kangding te zijn en die ging om 6 uur ‘s ochtends. Ik zou dus moeten overnachten in Ya’An als ik die bus ooit wilde halen. Zo bleek de reis Chengdu-Ganzi opeens niet 18 uur in de bus, maar drie hele dagen in twee verschillende steden te beslaan, met geen enkele garantie dat ik ooit daadwerkelijk in Ganzi zou aankomen. Dat ging ik niet halen, dus ietwat verslagen ben ik maar weer naar Sim’s teruggekeerd, waar ik nog een paar laatste, gezellige dagen heb besteed in het gezelschap van de bardames en een hele hoop English teachers die in Chengdu en omgeving wonen.

1 mei was het dan echt tijd om te vertrekken, naar Jiuzhaigou (“Vallei der Negen Dorpjes”) ditmaal. Dit nationale park in het noorden van Sichuan is beroemd geworden door de ontzettend heldere, knalblauwe meren die zich daar bevinden. Ik had een paar jaar geleden voor het eerst foto’s gezien van dit geweldige fenomeen, en was vastbesloten om er naartoe te gaan als ik in de buurt was. 10 uur met de bus later was ik dan in het dorpje bij de ingang van het park waar ik een dag zou blijven. De volgende ochtend vroeg ben ik het park ingegaan (voor een exorbitante prijs: inclusief een kaartje voor de bus in het park meer dan 30 euro) en heb ik de bus helemaal naar het eindpunt genomen, om gedurende de dag naar het begin terug te lopen. Mijn god. Toen ik het eerste meer zag, viel mijn mond open. Ik ben zelden zo onder de indruk geweest van natuurschoon als in China, en dan voornamelijk Jiuzhaigou. Zo veel tinten blauw en groen, allemaal kraakhelder. Het was absoluut adembenemend. En dat bleef het hele park lang zo. Het fijne was ook dat bijna alle (Chinese) toeristen de bus van het ene meer naar het andere namen, zodat de wandelpaden vrijwel verlaten waren. Ik heb de eerste paar uur dus in alle rust de meren kunnen bekijken en fotograferen, en pas tegen het einde (bij de grote, “populaire” meren) werd het wat druk. Zo’n zeven uur later verliet ik het park, om ‘s avonds nog na te genieten van alles wat ik heb mogen zien.

Anderhalve dag later (per bus en trein), was ik dan in Xi’An. De stad van de Drum en Bell Tower, van de Muslim Quarter, maar voornamelijk van de Terracotta Warriors (die niet echt in de stad zijn, maar dat doet er verder niet toe). Dit leger van steen ligt ten oosten van Xi’An City, en ik ben hier op mijn laatste dag geweest. Inmiddels zijn de opgravingen verdeeld in drie “pitten” waar opgravingen plaatsvinden die tentoongesteld worden: Pit 1, wat de grootte heeft van een vliegtuighangar of twee en de meeste warriors bevat, Pit 2, die iets kleiner is dan Pit 1 en waar men ook nog volop bezig is met de opgravingen, en Pit 3, de kleinste van allemaal en degene die ik eigenlijk het leukst vond, aangezien je door de kleine schaal veel beter de details kon zien. Er wordt aangeraden om van achter naar voor de opgravingen te bekijken, oftewel 3, 2, 1. En dat is ook een vrij goed idee: zo bouw je langzaamaan op naar de gigantische pit 1, waar je echt een idee krijgt hoe groot dit project is. Ik had er vantevoren niet heel veel van verwacht moet ik eerlijk toegeven (“Hoppa, weer een World Heritage Site”), maar ik was toch wel erg onder de indruk van de immensheid van alles. Ik had wel gehoord dat elk figuur anders was, maar om dat dan in het echt te kunnen zien maakt het toch indrukwekkender.

In de twee dagen voor het Terracotta Warriors bezoek ben ik voornamelijk in en rond de Muslim Quarter geweest. Hier woont en werkt een groot gedeelte van de Islamitische community in Xi’An, en er bevinden zich dan ook een moskee, religieuze winkels en voornamelijk heel veel eten. (Het spijt me dat ik dit tijdens de Ramadan schrijf.) Enigszins toeristisch is het wel, maar dat deert niet, want het eten blijft lekker. Dé grote hit is yangrou paomo, een soep die bestaat uit verkruimeld, dik naanbrood, waaroverheen geitenvlees (yangrou) en een heerlijke bouillon wordt gegoten. Nog wat ingelegde knoflook en chili erbij en aanvallen maar! Verder heeft de quarter een night market, waar heel veel stalletjes vol met eten en prullaria opgezet worden, en waar ik ongeveer elke avond snackend enige tijd heb doorgebracht.

Eens in de zoveel tijd volg ik braaf op wat de Lonely Planet me vertelt. Zo ook in Xi’An, met de Tomb of Emperor Jingdi. Deze tombe bevat, in plaats van warriors, allerlei kleine poppetjes die ooit houten armen gehad hebben en zo het dagelijks leven in die tijd hebben uitgebeeld. LP raadde het dus aan als een interessant contrast met de Terracotta Warriors, en aangezien het ook een stuk minder druk was, als een underrated must-see. Ik dus op de fiets ernaartoe, zo’n 25km buiten Xi’An. Zo ben ik weer op de snelweg terechtgekomen (na bij de tolpoorten even de goede kant op gewezen te zijn) en veel vervuiling, hardrijdende auto’s, wat lopende mensen en een pitstop bij het benzinestation (waar ik de attractie van de dag was) later was ik dan eindelijk bij de tombe. Rustig was het zeker, en helaas werden bepaalde delen van het park gerenoveerd, dus ik heb niet alles kunnen zien. Het was wel interessant, maar de Warriors de volgende dag waren vele malen indrukwekkender, en zonder veel achtergrondinformatie blijven het toch potten in een hoop klei. Desondanks was het toch een goede, zo niet nerve-racking, vermoeiende en warme, fietstocht.

Na drie dagen Xi’An werd het tijd om richting Beijing te gaan. Ik had wel een tussenstop ingepland: in Laos had ik Pablo, een jongen uit de VS, leren kennen die samen met zijn vriendin tussen Xi’An en Beijing woont en daar Engelse les geeft. Volgens hem was er alleen in zijn stad (Zhengzhou) niet erg veel te beleven, en kon ik beter onderweg naar Zhengzhou overdag maar in Luòyáng stoppen, om daar de Longmen Grottoes te bekijken. Deze grotten staan bekend als een van de drie meest belangrijke grotten in China en zijn, jawel, een World Heritage Site. Er komen was alleen een hele klus. Xi’An-Luòyáng is zo’n 5 uur met de trein, dus ‘s ochtends stapte ik op de trein, die natuurlijk iets te laat aankwam. Eenmaal in Luòyáng aangekomen besloot ik m’n backpack af te geven bij de left luggage balie, zodat ik er niet de hele dag mee hoefde te zeulen. Een uur met de bus en een telefoonkaart kopen (beltegoed opwaarderen in het Chinees is moeilijk) later was ik dan eindelijk bij de grotten, die inderdaad erg mooi waren. Ze deden me een beetje aan Mesa Verde in de VS denken: een uit steen gehakte stad met allerlei grotten. Alleen zijn hier de bewoners niet mensen, maar Buddhabeelden. Duizenden en duizenden Buddhabeelden, in hoogte variërend van 2,5cm tot 17m. Het was best leuk om te zien, zeker omdat ik tot een dag ervoor nog nooit van gehoord had en er anders ook nooit gekomen was. Maar toen begon de terugreis. Luòyáng-Zhengzhou is per hogesnelheidstrein ongeveer een uurtje. Helaas heeft ook Luòyáng twee treinstations, en laat de hogesnelheidstrein nou vlakbij de grottoes zitten in Longmen. Mijn backpack stond nog in Luòyáng. Ik dus weer met de bus, in de spits, terug naar het station, backpack opgehaald, taxi geregeld naar het andere station, ruzie met de taxichauffeur die omreed om verkeer te vermijden en zo de prijs op liet lopen en bijna twee en een half uur later stond ik dan eindelijk op Luòyáng Longmen station, waar ik om 7 uur ‘s avonds eindelijk de trein kon nemen. Alleluja. In Zhengzhou zat vervolgens mijn scootertaxi op een geven moment zonder benzine, waarna ik in een normale taxi ben gestapt die me toen zonder omhaal de laatste vijf minuten naar Pablo en Kristin’s huis heeft kunnen brengen. Oftewel, de zoveelste les dat in China vrijwel niets ooit echt makkelijk is. Tenminste, bij mij. Erg interessant na Zuidoost Azië, maar ook wel zeer frustrerend…

Zo strompelde ik na een lange reis Pablo’s en Kristin’s huiskamer binnen, waar ik hartelijk werd ontvangen. Kristin bleek erg aardig te zijn en veel van Beijing te weten, aangezien ze er een aantal jaar eerder had gewoond. Ze was een jaar geleden terugverhuisd naar haar geboorteplaats Zhengzhou, maar zou dat weekend ook naar Beijing gaan voor een feestje. Tijdens een hotpotdinner hebben we afgesproken om in Beijing uit te gaan met een stel vrienden van haar, een belofte die inderdaad een paar dagen later ingewisseld is. Een nachtje slapen en een treinkaartje voor de highspeed trein naar Beijing kopen bij de advance ticket office later nam ik dan na een kort bezoekje afscheid van Pablo en Kristin, en ging ik richting station. In de taxi haalde ik nog maar eens m’n treinkaartje tevoorschijn om te kijken in welk treinstel ik zat. Een ezel stoot zich slechts eens aan dezelfde steen? Ik doe dat wat vaker met stenen die op elkaar lijken. Jawel, het treinkaartje bleek voor morgen te zijn. Met 20 minuten te gaan moest ik dus opnieuw in de rij bij Zhengzhou train station (Zhengzhou is een hub voor treinen, oftewel het is ontzettend druk op het station. Ook het enige station waar ik ooit 10 minuten heb moeten wachten om het stationsgebouw binnen te mogen. China, en India misschien, is de enige plek waar alleen de term “swarming and sprawling mass of humanity” op van toepassing is) om mijn kaartje om te wisselen voor één voor de goede dag. Zo was ik, met 5 minuten voordat de trein zou vertrekken, de trotse eigenaresse van een kaartje voor de trein. De volgende trein, die vier uur later ging. Ach ja. Na een paar uur wachten kon ik dan eindelijk naar Beijing, waar ik ‘s avonds dan aankwam en weer netjes een uur in de rij mocht gaan staan voor de taxi, met als gratis entertainment een meisje die op luide toon in het Chinees haar vriendje huilend uitschold. Wat de jongen had gedaan, ben ik nooit achter gekomen. Uiteindelijk kwam ik dan na weer een lange dag aan bij het hostel, waar ik heerlijk heb geslapen. Dat blijft het grootste voordeel van zulke dagen…

Achteraf gezien was Beijing een beetje de stad van “mensen weer zien”. Zo was Travis, een Amerikaan die ik in Kunming had ontmoet, een paar weken eerder naar Beijing verhuisd en met hem ben ik naar het 798 Art District (foto’s na de foto met de kom rijstsoep) in het noordoosten van de stad geweest (en heb ik een heerlijke snack, jianbing guozi, leren kennen). Erg leuk, want dit is eigenlijk de bakermat van de moderne Chinese kunst, en de plek waar artiesten als Ai Weiwei zijn begonnen. Het is een gigantisch oud industrieterrein, waar nu allerlei galeries, musea, bars, cafés en boetieks zijn. Redelijk wat galeries waren wel leuk maar niet geweldig, maar het Ullens Centre for Contemporary Art was geweldig. Qua stijl hadden ze allerlei dingen die in het MoMA of het Guggenheim niet mis zouden staan, en ik heb er dan ook met veel plezier rondgelopen. Verder was het erg gezellig om weer met iemand die ik kende bij te praten en te zien hoe het nou was om ergens net te wonen. Later in de week heb ik ook nog Emil gezien, waarmee ik Chinese les heb gehad en die een jaar in Beijing bij Tsinghua University Chinees heeft gestudeerd. De universiteitenwijk was heel anders dan alle andere wijken waar ik in heel China geweest ben: ik heb nog nooit zoveel buitenlanders bij elkaar gezien op zo’n klein oppervlak in China. Zelfs op Tiananmen square leken er minder buitenlanders te zijn. Een drankje of twee later waren we weer bijgepraat over China, de Chinezen en hoe het nou is om contact te leggen met hen in hun eigen taal. In het weekend ben ik inderdaad met Kristin en een paar van haar vrienden uit geweest in Sanlitun, wat een ervaring op zich was. Zo stond ik opeens voor een gigantisch winkelcentrum om 9 uur ‘s avonds, toen alles al dicht was. Bleek er een nieuwe bar geopend te zijn op de 7e verdieping die bier van over de hele wereld verkocht (hallo Leffe, it’s been a while). Later op de avond zijn we nog een paar keer verhuisd, waarna ik prompt twee Italiaanse architectes tegen het lijf liep die ik in Yuanyang had ontmoet. De wereld leek steeds kleiner te worden… en werd nog veel kleiner toen bleek dat a) een van de jongens in de slaapzaal die me toch wel heel bekend voorkwam ook bij Sims in Chengdu had geslapen, b) nog een jongen uit Chiang Mai naar Beijing was verhuisd en c) ik plots naast Zoë zat, een Brits meisje die ik in Hanoi had leren kennen. We hebben elkaar dan ook ongeveer een half uur stiekem blikken toegeworpen, totdat een van ons eindelijk de moed vond om te vragen “Sorry, but were you in Hanoi in March?”. Vrij eng. Zeker omdat ik een hele avond in Hanoi met haar heb gesproken, en zij toendertijd helemaal niet het plan had naar China te gaan. Nog enger: zij had op een boekenlegger haar naam geschreven zodat ik haar op Facebook kon toevoegen, en meer dan twee maanden later zat ik dus aan de tafel naast haar een boek te lezen mét die boekenlegger erin. Om bij te kunnen kletsen en omdat het van ons allebei de laatste avond in China bleek te zijn, zijn we samen heerlijk Beijing roast duck gaan eten, want dat hadden we allebei nog niet gehad. Zo zie je maar, het roer kan altijd nog omgegooid worden. En de wereld is bijna eng klein.

Nou was ik wel al één keer eerder in China geweest, maar niet in Beijing. Alle toeristische attracties stonden dan ook op het programma, samen met veel rondwandelen en een laatste week heerlijk Chinees eten. Tiananmen Square was makkelijk – daar was mijn hostel 5 minuten lopen vandaan en ik heb op dag 1 zo al het absoluut gigantische plein op me in kunnen laten werken. Niet bewonderen, want zo mooi is het niet. Of je moet een grote fan zijn van grote leegte met Soviet/communistische-invloeden. Wat me voornamelijk die eerste dag is opgevallen, is de beveiliging overal. Als je de metro ingaat, als je Tiananmen Square bezoekt en als je op nog veel meer drukke, toeristische plekken bent, moet je echt je tas door een scanner laten gaan en moet jijzelf vaak door beveiligingspoortjes lopen. De scanner voor de metro kende ik nog wel uit Bangkok, maar in vergelijking met bijvoorbeeld Japan was er erg veel security. Niet dat er nou zou goed op de scanner werd gelet, maar nog steeds. Na het meest imposante lelijke plein van de wereld gezien te hebben, werd het tijd om weer de security te testen en de metro te nemen naar de Yonghe Temple (beter bekend als de Lama Temple), oftewel de grootste (enige?) Tibetaans-Buddhistische tempel in Beijing. Ik hoopte stiekem een beetje op dezelfde “wow”-factor als de Sumtseling Monastery in Zhongdian, maar daar kwam het helaas niet van. Alhoewel de architectuur wel mooi was, maakte het toch niet dezelfde indruk als Sumtseling. Misschien omdat het middenin een miljoenenstad staat, in plaats van ergens op het Tibetaanse plateau, waar zulk soort dingen toch meer toch hun recht komen. Maargoed. Gewapend met de kaart van de Lonely Planet ben ik dan via allerlei hutongs (steegjes of straatjes waar nog oude gebouwen staan – 2, misschien 3 verdiepingen maximaal en veel mooie deuren) uiteindelijk terechtgekomen in wat misschien wel de meest bezochte hutong in heel Beijing is: Nanluoguxiang hutong. Dit straatje schijnt een van de oudste straten van Beijing te zijn, en is inmiddels veranderd in een soort voetgangersgebied vol met cafés, boetieks en enkele hostels. Alhoewel het inderdaad vrij erg ingespeeld is op toerisme, verkochten ze hier wel wat minder-standaard souvenirs, en ik heb dan ook goed ingeslagen voor de familie. Ook is Nanluoguxiang de afgelopen paar jaar vaak in de media geweest, voornamelijk in fashionmagazines en dergelijke. Behalve toeristen komen op deze hutong en omgeving dus ook veel (verwesterde) Beijingers en expats af, wat zorgt voor een hele leuke sfeer.

De dagen erna heb ik voornamelijk veel rondgelopen, de metro genomen en in parken en cafés uitgerust (het park bij de Temple of Heaven slaapt erg lekker). Ondertussen zag ik dus Travis bij het 798 Art District en Emil in Wudaokou. Langzaam maar zeker kwam het weekend dichterbij, en dinsdag 15 mei dus ook. En om zonder naar de Forbidden City, het Summer Palace en The Great Wall geweest te zijn uit Beijing te vertrekken kon natuurlijk niet. Ik dus op zaterdagochtend in de regen samen met massa’s mensen in de rij om de Forbidden City dan te bekijken. Het was inderdaad groots en mooi, maar mij echt net iets te druk. Ik was dan ook vrij vlug klaar, en ben gelijk doorgegaan naar het Summer Palace, waar ik veel meer van onder de indruk was. Sowieso begon toen ook de zon te schijnen, wat het humeur altijd bevordert, maar om dan ook nog van bovenaf Kunming Lake te zien met alle bootjes was een mooi spektakel. Het was bijna net zo druk als bij de Forbidden City, maar de totale oppervlakte van het Summer Palace en de “tuinen” is wel vele malen groter, wat het een rustigere sfeer gaf. Na al deze cultuur heb ik dan ‘s avonds Kristin & co gezien, om de volgende ochtend pas m’n bedje op te zoeken.

Toen stond er nog één ding op het lijstje: de Great Wall. Nu waren er twee dilemmas: ten eerste is de Great Wall nou eenmaal heel erg lang, en je kunt dus verschillende stukken bezoeken. Badaling scheen hell on earth te zijn, dus dat ging het sowieso niet worden. Jiankou staat bekend als rustig en nog niet gerenoveerd, wat spectaculaire scenery als gevolg heeft. Helaas was dat vrij ver en door de staat van de muur waarschijnlijk ook niet verstandig om dat alleen te gaan doen. Uiteindelijk wilde ik dan naar of Mutianyu of Huanghua. Dilemma twee was dat ik, zodra ik in Beijing was aangekomen, een Japan Rail Pass had besteld, een pas waarmee je bijna ongelimiteerd in een bepaalde tijdsperiode (in mijn geval 14 dagen) de trein kunt nemen in Japan, en die je alleen buiten Japan kunt kopen. Hij was vrij prijzig (dag €400), maar als je bedenkt dat een enkeltje Tokyo-Kyoto met de shinkansen (bullet train) rond de €130 kost, zou ik het er toch uithalen. Probleem: hij zou eerst op vrijdag afgeleverd worden, toen op zaterdag en toen pas op maandag… de dag dat ik naar de Muur wilde maar belangrijker nog de dag voordat ik wegging. Gelukkig heeft Fedex het gewoon netjes op tijd afgeleverd, maar ik scheet wel even drie kleuren.

Op naar de Muur dus. Ik moest hoe dan ook de bus naar Huairou nemen, en na ongeveer een uurtje kwam ik daar dan aan. Er stond in de goede Eenzame Planeet dat er vaak minibusjes stonden te wachten die je naar Huanghua konden brengen als je bij een bepaald station in Huairou uitstapte. Nou werd ik eerst al door een man uit de bus gehaald (Huairou? Wall? Yes! Here, I take you to the Wall in my taxi), waarna ik weer vrolijk in de bus ben gestapt om wel op de goede plek uit te stappen. Waar geen minibusjes stonden, maar wel de man met de auto (in China heb je redelijk wat mensen die wat bijklussen door hun eigen auto als taxi aan te bieden. Geen meter, gewoon onderhandelen), die me rustig uitlegde dat er geen bussen waren naar Huanghua. Oke. Ik vroeg hem dus hoeveel het me zou kosten om naar Huanghua of Mutianyu te gaan. Mutianyu bleek goedkoper en dichterbij te zijn, en een hoop vrolijk onderhandelen later zat ik dan in de auto naar Mutianyu, een stuk muur met 23 gerestaureerde watchtowers waar je bij de lagere torens met een soort roetsjbaan naar beneden kan sleeën. Nou werd dat me iets te gortig, en bovendien besloot de chauffeur annex nieuwe beste vriend me toe te vertrouwen dat de laatste wachttorens het mooiste uitzicht hadden. Prima. Zo ging ik dus met de kabelbaan (lang leve development) naar de 14e watchtower, waarna ik een uur later met heel wat inspanning de 23e toren binnen kwam lopen. Het uitzicht was inderdaad heel mooi, maar wat eigenlijk het leukste was, was dat de muur daarna nog vrolijk doorliep. Niet gerestaureerd ditmaal. Ik kan nu dus ook met recht zeggen dat ik de Great Wall heb beklommen, want er kwam op een gegeven moment echt klauteren aan te pas om überhaupt verder te kunnen lopen (heel wat watchtowers waren een beetje ingestort). Na een paar uur op de muur hield ik het voor gezien, en kon ik weer met de vriendelijke chauffeur naar Huairou, om ‘s avonds te genieten van een laatste avondmaal Beijing duck met Zoë. Een beter afscheid van China, na twee intense, mooie maanden had ik me niet kunnen wensen.

De volgende ochtend vroeg (altijd leuk, om kwart over 8 vliegen) ging ik dan voor het eerst in zeven maanden voor mezelf naar het vliegveld. Een korte vlucht later, waarbij ik naast een aardig Japans meisje zat die twee jaar in Beijing had gewerkt en nu terug ging verhuizen naar Tokyo, landde ik dan in Japan. Rust. Leegte. Orde. Engelssprekende officials. Smetteloosheid. Dat waren eerste reacties die ik had toen ik weer voet zette in het land wat ik hopelijk over twee jaar ook een jaartje thuis mag noemen. Na met de trein en de metro naar het hostel in Asakusa gegaan te zijn, ben ik de omgeving maar gaan verkennen. Mijn god. Ik hou ontzettend veel van Japan, maar ik moest wel even wennen. Het is in alle opzichten, behalve het aantal mensen, de tegenpool van China. In China is alles open, restaurantjes en eetstalletjes zijn op straat, het leeft, het is vies (had ik al verteld dat baby’s gewoon op straat poepen en plassen? Bij deze.), het is goedkoop, het is geweldig. Japan is gesloten, met alle restaurants achter een gesloten deur en gordijn, gereserveerde mensen, het is ontzagwekkend schoon, alles doet het, het is futuristisch, het is ietwat duur (toch jammer, 5x zoveel betalen voor een dormbed), het is op een hele andere manier dan China fantastisch – het meest ontwikkelde niet-Westerse land dat ik ken. Deze contrasten zorgden er wel voor dat ik als een soort zombie door Tokyo heb gelopen en gefietst de eerste paar dagen. Het was eigenlijk een grotere culture shock om van China naar Japan te gaan dan om van Nederland naar Japan te gaan, en dat had ik niet verwacht. Zelfs iets gaan eten leek opeens een hele expeditie: standaard Chinese karakters kan ik nog wel een beetje begrijpen, maar Japans heeft drie verschillende karaktersystemen waarvan één het traditionele Chinese is. Oftewel, ik kon na twee maanden opeens weer niks lezen. Ook zitten de meeste eettentjes zoals net vermeld achter gesloten deuren, waardoor je in het begin geen flauw idee hebt of het nou open of dicht is. Enfin. Zodra ik dan wel iets had gevonden wat er niet al te intimiderend uitzag, kon ik me heerlijk te buiten gaan aan relatief gezond, Japans eten. Want dat Chinese eten is wel erg lekker maar mijn god wat gebruiken ze veel olie…

Aangezien ik het geluk heb gehad eerder in Japan geweest te zijn (papa, mama, dank nogmaals voor die fantastische reis), ging het voor mij deze keer om het herbezoeken van plekken die ik erg leuk vond en het bezoeken van dingen die ik de vorige keer gemist had. En bij voorkeur alles op de fiets, want dat was goedkoper dan de metro. Zo ook het Tokyo National Museum in Ueno Park, wat de vorige keer gesloten was ivm een national holiday. Stiekem had ik geen flauw idee meer wat er nou precies tentoongesteld werd, maar ik had gehoord dat er ook oude kimono hingen, dus die wilde ik wel zien. Ze hadden er inderdaad een paar tentoongesteld, en het museum doorlopend kwam ik erachter dat de grootste gebouw ging over de hele kunstgeschiedenis van Japan, verdeeld in verschillende specialisaties en periodes. (Een kleiner gebouw had een tentoonstelling over Boston, en de Asian Gallery was helaas dicht.) Een tweede was het Tokyo Metropolitan Museum of Photography in Ebisu/Meguro, letterlijk aan de andere kant van het centrum. Om je een idee te geven: dat is minstens een uur hard fietsen, dwars door de stad. Zo groot is Tokyo. In het museum waren twee exposities: één van de fotografe Rinko Kawauchi, en één over verschillende fotografietechnieken en gemanipuleerde foto’s. Allebei waren erg mooi, en dit museum was dan ook een van de betere stops in Tokyo.

Herbezoeken ging ook om mensen, en via mijn vader was ik weer in contact gekomen met Mike, een Japanner waarmee hij in de Verenigde Staten had gestudeerd. In 2010 had ik hem voor het laatst gezien, toen nog met familie erbij, en had hij ons naar een ietwat experimenteel vleesrestaurant meegenomen (leversashimi en koeienhersenen, anyone?). Ik had deze keer weer met hem afgesproken, en woensdagavond stond ik dan, na even zoeken, bij de goede uitgang van Tokyo Station op hem te wachten. Hij bleek twee dames van zijn kantoor mee te hebben genomen zodat ik nog wat extra aanspraak zou hebben, wat erg lief en gezellig was. Zo belandden we in het kantoorgebouw tegenover het station, waar op verschillende niveaus restaurants zaten. Na wat geweifel kwamen we dan uiteindelijk uit bij een fantastisch sushirestaurant op de 35e verdieping, waar ik niet alleen heerlijk heb gegeten maar ook heb bijgekletst met Mike en een geschiedenislesje van de architectuur van Tokyo kreeg. Het was een geslaagde avond, en met de belofte om misschien weer wat te doen als ik terug was in Tokyo (wat jammerlijk mislukt is door mijn lack of communication) en dat ik altijd mocht bellen als ik hulp nodig had namen we afscheid.

Nu is er één sport die synoniem is met Japan, en dat is sumoworstelen. Het plan: een wedstrijd bijwonen. Ik had geluk, want er zijn zes toernooien per jaar in Japan (wat de enige officiële wedstrijden zijn), waarvan drie in Tokyo: in januari, in mei en in september. Kaartjes kopen bleek een doel op zich, want kaartjes gaan maanden van tevoren in de verkoop en zijn dan ook vrij vlot uitverkocht. De enige optie was dus om op de dag dat ik wilde gaan (zaterdag 19 mei om precies te zijn, de een na laatste dag) om 7 uur ‘s ochtends in de rij te gaan staan om een kaartje te kopen bij het loket wat om 8 uur opengaat, voor een plekje helemaal bovenin het stadion. Zo gezegd, zo gedaan, en iets na achten had ik dan een kaartje. Detail: toen ik een paar minuten over zeven in de rij ging staan was ik nummer honderd. Ja, sumo is echt zo populair dat mensen er heel vroeg hun bed voor uitkomen. ‘s Ochtends, vanaf een uur of tien, hebben de jongeren hun “bouts” en pas vanaf een uur of twee, drie ‘s middags vechten de echte zware jongens. Ik ben dan ook weer rustig teruggefietst naar m’n hostel om te ontbijten en de buurt weer eens te verkennen voordat ik rond tweeën langzaamaan weer mijn weg naar het Ryogoku Kokugikan vond. Daar was het inmiddels iets drukker geworden, en de meeste mensen stonden buiten hun sumoheld op te wachten die via de zijingang het stadion binnengingen. Twee dingen vielen me op: ten eerste de haarstyles, waar menig stylist een puntje aan kan zuigen, en ten tweede dat niet alle worstelaars Japans leken. Twee dagen later werd me uitgelegd dat dit inderdaad klopte, en dat de sumocompetitie de laatste paar jaren – hoe controversieel – door buitenlanders (Mongoliërs en ex-Soviet Unies) gedomineerd wordt. Na dit spektakel even gadegeslagen te hebben ben ik het toch nog wat lege stadion binnengegaan waar ik voor het eerst een echte wedstrijd mocht zien. Mijn god. Het was fantastisch. Iedereen die ooit naar Japan gaat, móet gewoon sumo kijken vind ik. Een breakdown hoe een gevecht in elkaar zit: voordat alle gevechten binnen een poule beginnen, komen alle worstelaars het stadion binnen en lopen achter elkaar de “ring” in (niet hetzelfde als een boksring, deze heeft daadwerkelijk een cirkel waarin gevochten moet worden), en gaan allemaal naast elkaar staan, met hun gezicht naar het publiek. Ze hebben op dat moment allemaal een soort schort voor, waar hun naam, symbool en eventueel club op staat, in allerlei verschillende kleuren. Vervolgens worden de scheidsrechters begroet (het blijft Japan), draaien ze zich om en hebben ze een ritueel wat ik niet anders kan omschrijven dan een soort dans met handenklappen. Binnen een paar minuten (waarin je hun zwaarlijvige konten kunt aanschouwen, ze hebben inderdaad een soort padded string aan en het schort zit toch echt alleen aan de voorkant) is het gedaan, en kunnen de gevechten beginnen. Maar dan ben je nog niet klaar. Twee gevechten voordat het gevecht van de worstelaar in kwestie begint, komt hij weer het stadion binnen, groet de scheidsrechter en zijn coach, en gaat naast zijn coach zitten. Intussen is één van de andere twee die daar dan al zitten (één aan elke kant van de coach) het platform van de ring opgestapt, na weer naar zijn coach en de scheidsrechter gebogen te hebben, terwijl zijn tegenstander exact hetzelfde doet aan de overkant. Ze hurken aan de kant van de ring, alsof ze nog even hun knieën moeten testen, en stappen dan langzaam de ring in. Als het een hogere klasse is, begint het spel dan al: de ring wordt eerst gezuiverd met een handvol zout, ze kloppen zich op de borst en doen, net als bij muay thai maar dan anders, een soort ritueel dansje om de goden en wie dan ook aan te roepen. Intussen gaan ze tegenover elkaar, voor hun coach, staan en maken ze zich op om te gaan vechten. Ze doen hun klassieke sumo-move een aantal keer om elkaar af te schrikken, hurken tegenover elkaar met ongeveer een meter ertussen en intimideren elkaar zo. Bij de allerhoogste klasse gebeurt dit een keer of drie, omdat één van de twee dan een fout maakt. Denk ik. Erg duidelijk was het niet. En dan vallen ze elkaar uiteindelijk, na ongeveer 10 minuten aan ritueel, aan. Het grappige is dat sumo een mentaal en behendigheid spelletje is, en niet per se een competitie “ik ben het dikst dus ik ga winnen”. Zo was er een Oost-Europeaan, een relatief klein en dun maar wel heel erg gespierd mannetje, die tegen zo ongeveer de dikste en grootste Japanner van allemaal moest worstelen. Wie won? De Oost-Europeaan, en nog vrij makkelijk ook. Slim ventje. Een sumowedstrijd is afgelopen als de een op de grond ligt of uit de ring is geduwd (ja, ze vallen nog wel eens op de scheidsrechters en coaches. Uit de ring duwen gebeurt vaker dan liggen). Dan wordt er weer gebogen, verlaat de verliezer de ring en wordt de winnaar gezegend o.i.d. door de scheidsrechter met een waaier. De ring wordt met een houten bezem schoongemaakt, en dan kan het volgende gevecht beginnen. Buiten wat er in de ring gebeurt, is sumo voornamelijk heel leuk omdat je alle Japanners echt los ziet gaan, iets wat op straat zelden gebeurt. Er is echt een geweldige energie in het stadion, die heel aanstekelijk is en ervoor heeft gezorgd dat ik bijna vijf uur heb gekeken naar dikke mannen die elkaar te lijf gaan in verstevigde strings. En ik vond het geweldig. Meer foto’s vind je nog hier.

Iets anders: in Tokyo, in Sumida (de wijk waar ik sliep) om precies te zijn, staat inmiddels een hoge toren. Een hele hoge toren zelfs. Dat is de Tokyo Skytree, de hoogste toren en het op één-na-hoogste gebouw (de Burj Khalifa is toch wat hoger) ter wereld met 634 meter. Dit bakbeest stond er twee jaar geleden nog niet, en moest zelfs nog geopend worden toen ik deze keer in Tokyo was. Hierdoor waren er verhoudingsgewijs meer (Japanse) toeristen in Sumida dan ooit – hiervoor was het een van de meest noordoostelijke randjes van Tokyo (die bestaat uit 23 speciale wijken die allemaal een eigen burgemeester en bestuur hebben. De “stad” Tokyo bestaat dus eigenlijk uit allerlei kleinere steden) waar minder toeristen kwamen dan bijvoorbeeld Chiyoda en Shibuya, respectievelijk in het centrum en het westen. Voor de Japanners is de Skytree inmiddels bijna een symbool van nationale trots: niet alleen is het de hoogste toren ter wereld, maar ze hebben het ook nog eens voor elkaar gekregen om het na de aardbeving op 11 maart 2011 (door de Japanners 3/11 genoemd) alsnog relatief op tijd af te krijgen. De aardbeving, en de tsunami en de nucleare ramp erna, hebben er ook voor gezorgd dat Japanners nu veel meer over hun energiecomsumptie nadenken: zo is de Skytree maar een paar uur per avond echt verlicht, iets wat voor maart 2011 in neon-loving Tokyo ondenkbaar geweest zou zijn. Het is in ieder geval best een mooie toren en een landmark die je grappig genoeg als je in Sumida rondloopt vaak niet kunt zien door de smalle wegen waarlangs gebouwen van maar 8 verdiepingen staan, en ik heb dan ook met veel plezier (‘s avonds) lekker veel foto’s gemaakt, die hier en hier tussen staan.

Ik was inmiddels al een dag of vier in Tokyo, en dat had twee redenen. Ten eerste vind ik het een fantastische stad, zo niet dé meest fantastische stad, maar ten tweede zorgde dit er ook voor dat ik goed uit zou komen met mijn Japan Rail Pass, die 14 dagen geldig was. Als ik hem op de 19e in zou laten gaan, zou ik precies nog op 1 juni met dezelfde pas naar het vliegveld kunnen. Uiteindelijk bleek ik op de 19e naar het sumotoernooi te gaan, dus heb ik mijn JR Pass laten valideren op de 20e en zou ik hem, indien er iets mis zou gaan, tot en met 2 juni kunnen gebruiken. Wel zo handig. Op de 20e stapte ik dan ‘s ochtends in de shinkansen (bullet train) naar Kyoto, ongeveer 400 kilometer en iets meer dan twee uur met de trein verderop. Lang leve de shinkansen! Eigenlijk had ik, toen ik naar Japan ging, niet echt een idee van wat ik nu wilde zien, behalve Tokyo. Kyoto was ik twee jaar geleden ook geweest, en toen had ik de meeste highlights al gezien. Deze stad stond dan ook niet per se op mijn “ga ik weer heen” lijstje, maar toen las ik ergens dat je nu naar geisha dances kon. En laat ik nu een zware Memoirs of a Geisha fan zijn. Ik bedoel, die kostuums… Zo stond ik weer in Kyoto, en na even ingecheckt te hebben in het zusterhostel van mijn hostel in Tokyo (Khaosan, welke een whopping 5 locaties in Sumida, Tokyo alleen al heeft en waarvan ik inmiddels in 3 heb geslapen) had ik al snel een kaartje bemachtigd voor de volgende middag. Verder heb ik mijn tijd in Kyoto zoals gewoonlijk ingevuld met veel rondlopen, kijken wat ik nog herkende en lekker eten (soba!). De volgende ochtend heb ik dan toch een tempel bezocht, en wel de Fushimi Inari Shrine. Hier slingeren duizenden torii gates (de klassieke Japanse poorten: 3 palen in het feloranje met zwart) achter elkaar de heuvel op en af, afgewisseld met kleine heiligdommen en offerplaatsen, wat voor een hele mysterieuze sfeer zorgt. Ook dit bezoek kwam stiekem door Memoirs of a Geisha, want één van de scènes is qua locatie geinspireerd door Fushimi Inari. Ik heb dan ook een aantal uur heuvel op, heuvel af gelopen voordat het tijd werd om terug te keren naar downtown Kyoto voor de geisha dances. Helaas mocht ik geen foto’s maken tijdens de voorstelling, dus de enige die ik heb kunnen maken is van het rijtje Japanse vrouwen in kimono voor me. Het begin van de geisha dances viel me wat tegen (heel stoïcijns verhaal en niet per se hele mooie kimono), maar de tweede helft was erg leuk, met prachtige kimono en goed uitgevoerde dansen met waaiers. Ik ben blij dat ik het gezien heb, maar weet niet zeker of ik het zelf als “een ontzettende aanrader” zou aanprijzen.

Vlak voordat ik uit China was vertrokken, kwam ik via het o-zo-geweldige Facebook erachter dat iemand waarmee ik had samengewerkt, Ies, inmiddels naar Fukuoka verhuisd was. Wat heen en weer gefacebook later (ik kom zaterdag! oh nee, toch zondag of maandag! het wordt nu echt dinsdag!) kwam ik dinsdag 22 mei op Hakata train station aan, 1 keer overstappen, 3 uur per shinkansen en meer dan 500 km van Kyoto verwijderd, waar Ies me, na een fantastisch slechte afspraak per telefoonceltelefoon (ik sta nu op Hakata, zal ik naar jou toe komen of kom je hierheen? Nou, je moet hier en hier naartoe… Oke, kun je dan misschien toch komen? Tuut tuut tuut) toch binnen twintig minuten zoeken wist te vinden. Cue een aantal dagen vol met luieren, films kijken (Tampopo!), humor en de slappe lach, achterop de fiets zitten (wat verboden blijkt te zijn, zo hebben we ook voor het eerst de Japanse politie horen gillen), de 7/11 plunderen, karaoke, culinaire uitspattingen, Ies zijn eigen stad laten ontdekken, rondlopen en twee tussenschotten van het balkon slopen om daar een barbecue te organiseren met de hele Europese verdieping van de universiteitsdorm waar hij woont. Wat info over Fukuoka: deze stad ligt op een ander eiland, Kyushu namelijk, en bestond vroeger uit twee stukken, Hakata en Fukuoka. Later zijn deze twee samengevoegd om Fukuoka te vormen, maar het gebied rond het treinstation heet nog steeds Hakata. Je krijgt dus ook een treinkaartje naar Hakata, niet naar Fukuoka. In Fukuoka heb je ook het Asian Art Museum: hier hebben ze de grootste collectie verzamelde moderne en pre-moderne Aziatische kunst (wat een erg mooie verzameling was kan ik je vertellen). Verder staat Fukuoka bekend om Hakata ramen: Chinese gele noedels in varkensvleesbouillon met stukjes gebraden varkensvlees en wat groenten, die, ongekend in de rest van Japan, bij kleine stalletjes buiten gegeten kunnen worden (waar je gelijk ook als buitenlander aanspraak krijgt van de Japanners die daar zitten). Hierdoor wordt Fukuoka ook gezien als een relaxte, Japanse versie van Chinese en andere mainland Aziatische steden. Relaxt was het zeker, en ik had niet verwacht dat ik welgeteld vijf dagen in Fukuoka zou blijven.

Een van de avonden in Fukuoka hadden we afgesproken met een groepje Amerikanen en Indonesiërs die Ies via via kende. Zo kwamen we uiteindelijk ‘s avonds in een karaokebar terecht, waar ik voor het eerst deze reis echt aan karaoke heb gedaan en het nog leuk vond ook. Met de Amerikaanse dame heb ik een heel gesprek gehad over eten: ze bleek tussen Osaka en Kobe in te wonen, en kwam dus vrij vaak in Kobe. Toen ik zei dat ik nog steeds geen okonomiyaki (iets wat omschreven wordt als een Japanse pizza, en waarvan een Hiroshima- en Osaka-versie bestaat) had gegeten en daarom overwoog om naar Osaka te gaan voor the real thing, vertelde ze me over een tentje vlakbij het station in Kobe waar ze volgens haar de beste okonomiyaki ooit had gegeten. Prompt tekende ze een kaartje van de omgeving van het restaurant voor me op een los blaadje, en met zo’n aanprijzing móest ik wel naar Kobe. Toen ik op zondag afscheid nam van Ies en de terugreis per trein naar Tokyo aanvaardde deed ik dat via een ietwat onlogische, lange, culinaire route. Pak een kaart erbij, en kijk mee: eerst van Hakata via Okayama (overstappen) naar Takamatsu op Shikoku, één van de vier grootste eilanden en beroemd om zijn udon, heerlijke dikke noedels. Na hier een aantal uur rond te hebben gelopen in de stralende zon, de Japanse marine te hebben gezien en een lekkere kom udon met tempura gegeten te hebben, nam ik weer de trein terug naar Okayama, waar ik weer overstapte en naar Shin-Kobe ging (het treinstation van de shinkansen), waar ik mijn backpack dumpte en de metro nam naar het station waar het okonomiyakirestaurant zat. (Het leuke van eten in Japan is dat bijna alle kleine tentjes echt gespecialiseerd zijn in één gerecht.) Na even de omgeving verkend te hebben om honger op te wekken ging ik naar binnen en bestelde ik okonomiyaki. Helaas was ik vergeten dat okonomiyaki een soortnaam is, en dat het bestellen net zoveel nut heeft als in een restaurant zeggen dat je “vlees” of “noedels” wilt. Een gesprek met handen en voeten en een beetje Engels later had ik dan een hele simpele pork-okonomiyaki, die inderdaad ontzettend lekker en romig was. Even uitgebuikt en weer met de shinkansen terug naar Tokyo, wat een beetje als thuiskomen voelde. Ik heb in ieder geval door deze dag heel lekker gegeten en zeker mijn JR Pass er goed uitgehaald… Foto’s van deze dag en Fukuoka staan in deze post.

En toen begon het einde van mijn reis erg dichtbij te komen. Ik zag er al een week of wat tegenop, en besloot daarom om de laatste paar dagen in Tokyo zo veel te doen dat ik niet aan het feit kon denken dat ik minder dan vier dagen later weer op Nederlands grondgebied zou staan. Zo gezegd, zo gedaan, en na een nachtje slapen kon de pret beginnen. Na even een tijdschema uitgepuzzeld te hebben, ging ik eerst naar Kamakura, een klein kustplaatsje buiten Tokyo waar een grote bronzen Buddha staat. Ik heb er heerlijk rondgelopen, een fantastische lunch gehad (paling met kabayakisaus (soya-kookwijn-suiker), en daarnaast misosoep, tempura, rijst, etc) en naast de Buddha gezien te hebben (die wel mooi was, maar met 17 meter een stuk kleiner dan die in China. Ook werd ik achtervolgd door schuchtere Japanse kinderen die hun Engels moesten oefenen voor school, waardoor ik als bedankje een origamizwaan kreeg), nog een tempel bezocht met uitzicht op zee. ‘s Avonds weer gezellig naar de bar van het hostel, waar vlakbij een voetgangersbrug was waar ik ontzettend veel foto’s van de Skytree heb gemaakt. De volgende dag was weer een kunstzinnige: na eerst met wat moeite een fiets te hebben gehuurd ging ik via shopping district Ginza richting de Art Triangle in Roppongi, een “driehoek” van musea in één van de meest buitenlandse stukken van Tokyo. Ik begon met the National Art Centre, een gigantisch complex met twee roterende exposities en een vaste collectie van zes zalen met contemporary Aziatische kunst. De exposities spraken me niet echt aan en waren vrij prijzig, dus heb ik gewoon de (gratis) vaste collectie bekeken, die leuk was maar niet spectaculair. Inmiddels waren er toch heel wat uren verstreken, en wilde ik nog via Harajuku (compleet de andere kant op) naar het Mori Art Centre, waar boven de Tokyo City View was op de 52e verdieping. Ik hoopte daar de zon onder te zien gaan. Na weer eens de weg kwijt geraakt te zijn kwam ik tijdens de zonsondergang bij het Roppongi Hills gebouw aan, waar bleek dat de Mori Art Centre dicht was in de aanloop naar een nieuwe expositie. Gelukkig was de City View wel open, en zo zag ik dan toch Tokyo van bovenaf. Ik was er namelijk in Fukuoka achter gekomen dat ik de Skytree helemaal niet in kon (hij was 22 mei geopend), aangezien je al maanden vantevoren kaartjes had moeten kopen en de reguliere kaartverkoop pas vanaf 11 juli weer zou beginnen. Jammer maar helaas. Daarna weer terug naar de Khaosan bar, om alvast me mentaal voor te bereiden op de allerlaatste volle dag van mijn reis.

Ook deze allerlaatste dag had ik helemaal volgepropt met fietsen, kunst en eten. Ik begon met het Museum of Contemporary Art in Tokyo (geweldig, met een erg leuke expositie van een man die complete gebouwen etc nabouwde van papier en dan fotografeerde – het leek net echt), om vervolgens naar Tokyo Station te fietsen en de trein te nemen naar Shinagawa voor het Hara Museum (wat omschreven wordt als een “hipster’s museum dream”, ze hadden in ieder geval mooie modefoto’s en lekker eten) en daarna met de trein naar Shibuya te gaan, waar ik nog een trein nam naar Shimokitazawa, een klein wijkje met lage gebouwen en smalle straatjes propvol winkels en cafés. Na een uurtje was ik hier wel weer klaar, en ben ik weer teruggegaan naar Tokyo Station, waar ik mijn fiets heb opgehaald en nog één keer naar Shibuya en Harajuku gefietst ben om nog wat te winkelen. Na deze lange dag (foto’s van de laatste twee dagen staan hier) werd het tijd om alles in mijn inmiddels zeer volle backpack te proppen en een afscheidsdrankje (lees: verdriet weg te drinken) in de Khaosan bar. Zo kreeg ik het op de een of andere manier voor elkaar om rond 1 uur ‘s nachts (de bar ging om 12 uur dicht) met een aantal gasten in een karaokebar te belanden, en heb ik eigenlijk geen flauw idee hoe laat ik nou precies mijn bedje heb opgezocht. Dat is natuurlijk vragen om problemen, en de volgende ochtend deed ik slaperig en met lichte hoofdpijn mijn ogen open, om te constateren dat het kwart voor elf was. Mijn vliegtuig ging om half twee ‘s middags, je doet er vanaf Tokyo Station een uur met de trein over om naar Narita Airport te komen, Tokyo Station – Khaosan Hostel is ongeveer een half uur met de metro, ik moest mijn fiets nog inleveren en de trein waar ik in had moeten zitten was om half elf vertrokken.

Dan beginnen alle alarmbellen toch wel te rinkelen.

Compleet in paniek raapte ik al mijn spullen bij elkaar, rende ik naar beneden, checkte uit, bedacht me dat er nog een andere trein naar Narita was die er ook een uur over deed maar slechts 8 minuten (drie metrohaltes) van Khaosan verwijderd was, racete naar de fietsverhuurd die naast de metroingang zat in hoeverre dat gaat op een klein fietsje met een backpack van twintig kilo op je rug, leverde mijn fiets in, hobbelde de metro in, racete de metro uit, kocht heel snel een duur kaartje (want deze trein hoorde niet bij Japan Rail) voor de trein naar Narita en zat dan eindelijk in de trein, die een uur en twee minuten voordat ik zou moeten vliegen aan zou komen op het vliegveld. Trein uitgestapt, een halve kilometer en vier verdiepingen opgerend en hijgend stormde ik dan de vertrekhal in, waar ik gelukkig nog mocht inchecken. Phiew. Ik had het gehaald, zij het met de ergste self-induced stress die ik de hele reis heb meegemaakt. Terwijl ik mezelf kalmeerde ging ik rustig door alle douane- en securityformaliteiten heen, om goed op tijd bij de gate te belanden. We begonnen op tijd met boarden, het vliegtuig zat bij lange na niet vol, en het leek erop dat mijn massasprint niet voor niks was geweest. Toen zaten we in het vliegtuig, en werd het half twee. En kwart voor twee. Na een tijdje deelde de piloot (Dames en heren, dit is uw gezagvoerder, Jan Kruithof. Ladies and gentlemen, this is your capitain, Jan Kruithof) ons mee dat, alhoewel alles eerst heel voorspoeding was verlopen, we nu met een klein technisch probleem kampten: de brandstofslang zat vast in het vliegtuig. Dat was toch wat problematisch, en het werd nog veel leuker toen bleek dat als ze hem eraf trokken de sluitring los/kapot zou gaan, wat natuurlijk nog minder handig is. Hiervoor hadden ze een onderdeel nodig waarvan ze niet eens wisten of het wel aanwezig was op Narita, en een uur en heen en weer gebel met de KLM en Schiphol later was de conclusie dat het wel gerepareerd kon worden maar dat er ook een kleine reparatie in de brandstoftank zelf gepleegd moest worden, en aangezien dat ietwat gevaarlijk kon zijn, werden we vriendelijk verzocht om het vliegtuig te verlaten. Intussen had ik al bijna de slappe lach, dit kon alleen maar karma zijn. Nog meer wachten bij de gate volgde, inmiddels had ik mijn ouders toch maar een mailtje gestuurd dat ik misschien wat later was, en vier uur nadat ik voor het eerst hijgend op het vliegveld was aangekomen werd, eerst in het Japans, uiteindelijk nog in het Engels, duidelijk dat vlucht KL0864 echt niet meer op vrijdag 1 juni plaats ging vinden.Toen kreeg ik echt de slappe lach. We moesten vrolijk allemaal weer door de douane heen (ik heb nu ook een heel mooi “Not Departed” stempeltje in mijn paspoort), en er werd ons een nacht in een hotel in Narita aangeboden, waar later meer informatie over het voortzetten van de vlucht naartoe gestuurd zou worden. Mijn JR Pass was zoals een tijd geleden vermeld nog goed tot 2 juni (misschien had ik dat gewoon niet moeten doen, is bijna vragen om problemen), dus ik heb gewoon mijn emailadres achtergelaten en ben vrolijk teruggegaan naar Tokyo, waar ik nog een laatste avond heb doorgebracht met dezelfde mensen als de avond ervoor, onder het genot van mijn debiele geannuleerde-vlucht-verhaal en een stuk minder alcohol dan de dag ervoor. En ik heb om twee uur ‘s nachts maar voor de zekerheid een nieuwe wekker gekocht bij een convenience store.

De volgende ochtend was het tijd voor ronde twee. Na wat gebel had ik uiteindelijk om 11 uur ‘s avonds de vorige avond pas te horen gekregen wanneer mijn vlucht zou gaan: ditmaal om twaalf uur ‘s middags. Mijn masterplan was dus om half tien de trein vanaf Tokyo Station te nemen, zodat ik voor mijn doen ruim op tijd op het vliegveld zou zijn. Om kwart over negen stond ik dan op het station, en toen bleek dat zelfs dit plan me niet gegund was. De Narita Express gaat namelijk elk half uur, dus om .03 en .33, dat wist ik. Behalve op zaterdag om half tien, dan slaat ‘ie er eentje over.

Niet weer.

Enfin. Er zat niks anders op dan het treinkaartje van 10:03, die om 10:59 aan zou komen, te accepteren, iets lekkers te eten te kopen in de foodcourt bij de treinen en me mentaal voor te bereiden op vier roltrappen opsprinten. Zo stormde ik, voor de tweede keer in 24 uur, de vertrekhal binnen. De aardige dame achter de balie had dan ook de gouden opmerking “Didn’t this happen yesterday as well?” Yep, I seem to have a knack for these things. Eind goed, al goed, en zo zat ik dan, albeit met wat traantjes, in hetzelfde vliegtuig wat deze keer wel opsteeg. Het grappige was dat ik de dag ervoor zó niet naar huis wilde, dat ik tranen met tuiten heb gehuild en vol spanning zat, maar doordat de vlucht niet doorging was de druk iets van de ketel en kon ik me er iets beter in vinden dat ik nu toch echt, na 230 dagen, naar huis ging.

En toen kwam de vlucht. Ik heb zelden zo’n relaxte vlucht gehad, en zo’n mooi uitzicht. Er zaten inmiddels nog maar 70 mensen in de Boeing 777 (indeling 3-3-3, 44 rijen), waardoor ongeveer iedereen drie stoelen voor zichzelf had. Verder had de crew natuurlijk ook 24 uur moeten wachten, en hierdoor was er een soort band ontstaan tussen de passagiers en de alleraardigste crew. Die ruimte en het personeel had als gevolg dat toen we in het volle daglicht over Siberië vlogen, met spectaculair uitzicht over de toendras, iedereen dwars door het vliegtuig begon te lopen om het beter te kunnen bekijken, crew incluus. Zo’n 11 uur later cirkelden we dan boven Nederland, waar ik ineens bijna een paniekaanval had: zou ik nog wel samen kunnen wonen met mijn ouders en broertje? Zouden zij het wel met mij uithouden? Zouden m’n vrienden me überhaupt nog wel willen zien? Hoe ga ik in godsnaam die maanden voordat ik weer verhuis overleven? Is het überhaupt mogelijk om weer te aarden in een land dat je een paar maanden later na 12 jaar even niet meer thuis gaat noemen? Dit alles flitste door mijn hoofd, en was nog steeds aan het malen toen ik na 7,5 geweldige, debiele, vermoeiende, drukke, luie, eenzame en indrukwekkende maanden voor het eerst weer samen papa, mama en broertjelief door het glas van de aankomsthal zag, zelfgemaakte “Hello Kirsty“-vlaggetjes incluus. Na lang wachten kon ik dan eindelijk de deuren door, waar het -uitgedunde (dat krijg je ervan als je een dag later aankomt) maar belangrijkste- ontvangstcomité op me stond te wachten. Ik was terug in Nederland, niet meer non-stop omringd door Aziaten, échte hoogbouw, chaos en het extreme belang van eten. Mijn eerste reactie toen we naar huis reden was dan ook “God, wat is het hier leeg. En plat. En klein. En kneuterig.”

Inmiddels is het augustus, en ben ik, na toch twee keer op vakantie geweest te zijn met de familie en langzaam maar zeker wat vrienden zien, een beetje geaard in Nederland. Over zes weken is het dan zover: dan woon ik officieël, na 12 jaar, niet meer in Rotterdam, maar in Londen!  Broertje en vader gaan overmorgen richting Moskou en dan China, dus hun laatste voorbereidingen zijn ook ingegaan en ik probeer ze niet te veel advies te geven, wat niet altijd wil lukken.

Een kleine, gegeneraliseerde opmaak per land, na 230 dagen:

Singapore: schoon, klein, Asia-light, geweldig eten, gin&tonic, heerlijk relaxt om te beginnen. Hendrik en Helen, nogmaals bedankt dat ik mocht blijven. Oorspronkelijk plan: een week. Realiteit: een week.

Maleisië: het begin van de chaos, geweldige mensen, eerste contact met couchsurfers, de eerste espresso martini & bucket, wat eenzaamheid, en de plek waar ik mezelf de manier van reizen heb aangeleerd die ik de maanden erna heb aangehouden. Lekker eten incluus. En KL was een onverwachte winnaar, ik zou heel graag teruggaan. Oorspronkelijk plan: 3 weken. Realiteit: 1,5 maand.

Thailand: chaos, (keihard) fietsen en me vrij voelen, heerlijk eten, prachtige tempels en omgeving, feest, en heel veel luiheid. Het was beter dan ik verwacht had, en ik heb nauwelijks op het strand gelegen. Bangkok is fantastisch, en zou ik met liefde gaan wonen. Zelfs zodanig dat ik terug ben gekomen uit een ander land ervoor. Oorspronkelijk plan: 6 weken. Realiteit: 2 maanden (1,5 maand + 2 weken).

Laos: rustig, feest, moederlijke aandacht, activiteit met moeders en lekker, maar simpeler, eten. Ik heb het land eigenlijk weinig recht gedaan, dus ik zou terug willen gaan om wat meer te zien. Oorspronkelijk plan: 2-3 weken. Realiteit: 2 weken, alleen Luang Prabang.

Cambodja: achtste wereldwonder dat, ook voor de tweede keer, niet tegenviel, Indiase chaos in Phnom Penh, eerste echte couchsurfervaring, OK eten met weinig variatie, gat tussen de bevolking en ik, fietsen, zijwaarts achterop een moto zitten. Ik ben er nu twee keer geweest, en snap nog steeds niet dat mensen dit beschrijven als één van de meest geweldige landen ter wereld met de vriendelijkste bevolking. Misschien moet ik toch langer blijven een keer. Oorspronkelijk plan: 2-3 weken. Realiteit: net 2 weken.

Vietnam: lieve mensen, dingen herkennen, feest, mensen weer zien, eerste Chinese invloeden na Maleisië, geweldig eten, haast, café culture, toegelaten in Toronto, prachtig uitzicht (als het niet mistte), bijna-doodervaringen op de fiets. Het blijft een fantastisch land, alhoewel het niet bovenaan mijn lijstje staat van “hier wil ik nog wonen”, dan gaan in Zuidoost Azië Maleisië (KL) en Thailand (BKK) toch echt voor. Oorspronkelijk plan: 1 maand. Realiteit: 3 weken.

China: groots, moeilijk, hard, intens, eenzaam, chaos, de mooiste uitzichten die ik ooit heb gezien, fantastische mensen, feest, mensen weer zien, aangenomen worden in Londen en dit bevestigen, een taalbarrière die tegelijkertijd groter (geen Engels t.o.v. Zuidoost Azië) en kleiner (flinters Chinees spreken) was, fantastisch albeit vet eten, theeleuten, fietsen. China vond ik al fascinerend, maar zelfs na twee maanden heb ik nog maar het topje van een geweldig grote ijsberg gezien. Mijn tijd in China voelt gelijk aan vijf maanden Zuidoost Azië, zo niet meer. Oorspronkelijk plan: 2 maanden (2x naar binnen). Realiteit: 2 maanden. (2x 1 maand)

Hong Kong: makkelijk, leuk, vaderlijk weerzien, op een matras in iemands huiskamer slapen voor een week, fietsen, heerlijk eten. Leuke stad, ga ik waarschijnlijk nog wel eens komen, maar bij lange na niet zo indrukwekkend als China. Oorsponkelijk plan: een week? Realiteit: 1,5 week.

Japan: cultureshock, wennen, opmaken voor de terugreis, lachen, schoon, regels, mensen die ik nooit verwacht had om te zien toen ik hiermee begon, geannuleerde vlucht, fietsen, cultuur, fantastisch eten, karaoke, zin maken voor mijn studie en meer reiskundige fouten kunnen maken dan ik had verwacht. Ik hou nog steeds van dit land. Oorsponkelijk plan: wat er nog over was, ongeveer 3 weken. Realiteit: 2,5 week.

Conclusie? 7,5 maand Oost-Azië heeft me niet weten te verlossen van mijn everlasting fascinatie voor en verlangen naar dit continent. Ik denk elke dag nog aan alle prachtige, lelijke, intense, leuke en ronduit debiele dingen en mensen die ik heb mogen zien. En dan heb ik hier nog niet eens over alles geschreven: alle koelkasten op fietsen, alle foodcourts bij metro’s, de convience stores, de kleine aardbeving… Ik wil dus terug, en zal altijd terug willen. Nu is het zaak om daar gewoon mee te leren leven, en ervoor te zorgen dat de post-Asia-reverse-culture-shock elke keer wat sneller overgaat.

Bij gebrek aan reispartner tegen wie ik aan kon lullen zijn alle lezers en andere reizigers dit geworden, en merci voor jullie tijd en geduld als jullie dit lezen. Kom gerust eens langs in de laatste paar weken dat ik nog in Rotterdam woon, of doe een weekendje London!

Goodbye, selamat jalan, laa kàwn ka, sábaai dii, lia suhn hao-y, tam biet, zàijiàn en sayonara!

Advertisements

Where Am I?

You are currently browsing the Hong Kong category at Lost in Asia.